Vondsten 2013

 

Mycologische miniatuurverrassing

Tekst en foto Henk Pras

 

Tijdens een excursie op 15 november in een kleibosje in Groningen kreeg ik van Inge Somhorst een onooglijk rood pukkeltje op een takje aangereikt met de opmerking: “Hier leuk voor jou”. Nou houd ik helemaal niet van kleine rode pukkeltjes sinds ik mijn jeugdpuistjes eindelijk kwijt ben.
Ik heb het geweten …. na een dag zinloos zweten zonder resultaat het geheel in de tuin gestort, echter wel voor de zekerheid foto`s gemaakt.
Toen de Coolia (57/1) in de bus viel en ik op blz. 35 dezelfde foto zag van het rode pukkeltje heb ik het takje weer opgezocht en dankzij het zachte weer de Nectria opnieuw onderzocht.
Inderdaad Nectria decora en ook Massaria inquinans - het kernzwammetje waarop de Nectria parasiteert (op de foto bij de zwarte pijlen) - was aanwezig met sporen tot 80 mu en niet zoals in Coolia 27 mu.

                                                            

 

 

 

 

Drie errug leuke vondsten!

Tekst en foto’s Roeland Enzlin

 

Crepidotus brunneoroseus – Bruinroze oorzwammetje

 

In het tamelijk jonge bos bij de Zuiveringsinstallatie van Stadskanaal zat op een omgevallen populier het hieronder afgebeelde zwammetje. Geen oorzwammetje, want die zijn wit of hooguit gelig, dus iets anders. Maar hoe meer ik er naar keek, des temeer werd het toch een oorzwammetje. Het microscopisch beeld thuis bevestigde dit. Met de beschikbare sleutels uit  diverse boeken was geen passende naam te vinden. Ik had echter op de computer nog een digitale oorzwammetjes-sleutel en die bracht uitkomst, nml. Crepidotus brunneoroseus. Via de Verspreidingsatlas kwam ik er achter dat deze soort al enkele malen gemeld is in Brabant, eveneens op populier.

 

 

Galerina similis – Breedsporig mosklokje

Het Breedsporig mosklokje, nog maar net een paar maanden bekend uit Nederland (Brabant) en nu al in Groningen gevonden, op een bemoste wilgenstam in een jong bosje op de klei. Niet iedereen is fan van mosklokjes. Ze zijn namelijk allemaal bruin. Bruin met of zonder streepjes, bruin met haartjes die met een loep amper te zien zijn, bruin met een beetje meer of juist een beetje minder geel. Gelukkig zijn ze microscopisch behoorlijk verschillend en met de uitstekende sleutel van De Haan en Walleyn kom je een heel eind.

Belangrijk voor de determinatie was het ontbreken van gespen. Binnen de Mosklokjes kom je dan bij een klein groepje uit en de meeste daarvan zijn bekende soorten. Wat betreft de sporen en andere microscopische kenmerken was er nu geen passende soort te vinden. Gelukkig herinnerde ik me dat zeer recent een artikel van L. Rommelaars in Coolia (56/4 blz 186) stond over een nieuwe gesploze Galerina in Nederland….

Helaas heb ik geen foto van deze soort gemaakt. De determinatie is inmiddels bevestigd door Eef Arnolds.

 

Clavulinopsis umbrinella – Grauwe sikkelkoraalzwam

Een paar uurtjes waddendijk leverde deze keer maar weinig op. Nou zijn de dijken sowieso niet erg rijk bedeeld en wat er dan staat is vaak nog lastig ook zoals breeksteeltjes en satijnzwammen. Toch nog maar een laatste stukje bekeken. Het was per slot van rekening eindelijk droog en de aanhouding door de douane die mij verdacht van landbouwdieselgebruik was ik bijkans al vergeten. Een mooie groep van de Paarssteelschijnridder (Lepista saeva) beurde me helemaal op, die had ik al lang niet meer gezien. Vlakbij de schijnridders vond ik tot mijn verbazing een koraalzwam. Ik dacht aan een Clavulina en dan wel de Asgrauwe koraalzwam. Overigens is dat geen echte koraalzwam, maar een nepper. Elk spoortje van grijs ontbrak. Bovendien was de basis zuiver wit en naar de takken en toppen toe lichtbruin. Er was nauwelijks sprake van een steel. Eigenlijk was het meer een bundeling van takken op een centrale basis die de klei in ging.

 

Onder de microscoop bekeken vielen fraaie, slanke viersporige basidia op. Zowel aan de basidia als aan de hyfen zaten normale gespen. De sporen waren subgloboos (bijna rond). Soorten van het geslacht Clavulina hebben tweesporige basidia en de soorten Clavaria hebben geen gespen of de gespen zijn opvallend boogvormig. Alles bij elkaar wees op een Clavulinopsis. De meeste daarvan zijn echter min of meer knotsvormig, alleen de geelgekleurde Sikkelkoraalzwam ziet er uit als een echte koraalzwam. Determinerend kwam ik uiteindelijk uit bij C. holmskjoldii, die sterk naar anijs moet ruiken. Dit exemplaar deed dat niet. Ook de sporenvorm was niet helemaal jovel. Een andere mogelijkheid zou dan C. umbrinella kunnen zijn. Het blijkt dat beide soorten inmiddels gesynonymiseerd zijn en zou dan C. umbrinella moeten heten.

Een klein stukje is ter controle opgestuurd aan H. Huijser, specialist op het gebied van knots- en koraalzwammen. Het is een in Nederland uiterst zeldzame soort. Eef Arnolds meldde nog dat hij deze soort recentelijk in Zeeland heeft gevonden. Ook op een dijk van zware klei en zonder anijslucht!

 

 

 

 

Slijmkop blijkt Kleefhoedje

Tekst en foto Henny Klein

 

Ook als paddo-beginneling heb je wel eens geluk, dat overkwam me in juli van dit jaar. Sassenhein in Haren is een van onze geliefde wandelbestemmingen en hoewel je daarvoor formeel lid van de visclub moet zijn lopen we de noordelijke visplas ook wel eens helemaal om.  Aan de zuidkant is een vaak modderig bospad tussen o.m. elzen en wat eiken en om de modderigheid tegen te gaan waren daar niet zo lang geleden houtsnippers gestort. Daarop zag ik mooie, mij onbekende paddestoeltjes, uiteraard moesten die op de foto!

 

 

Thuis Gerhardt raadplegend gokte ik op Slijmkopje (Hygrophorus) en heb dat op het forum van waarneming.nl nagevraagd. Iemand suggereerde Verkleurend kleefhoedje (Bolbitius variicolor, ook wel bekend als Bolbitius titubans var. olivaceus volgens waarneming.nl), dit werd door Grieta Fransen bevestigd.

Ik vond het vooral grappig dat de naam wat deftiger was geworden, maar tot mijn verrassing was het een heel zeldzaam paddenstoeltje: op waarneming.nl zijn maar 8 locaties genoemd en in Groningen is deze soort nog nooit waargenomen!

Kleefhoedjes zijn saprofyten die op mest en soms op hout groeien (Gerhardt). Misschien is het met de houtvezels mee naar Haren gekomen?

 

 

Ekenstein

Tekst en foto’s Kor Raangs

 

Op 26 augustus heb ik Ekenstein weer even bezocht. Van bepaalde daar gevonden soorten wil de werkgroep graag nog wat vruchtlichamen vinden, zoals bijv. van die Slanke amanieten soort, die we nog niet kunnen determineren. En ook willen we enkele eerder gevonden zeldzame Russula’s graag nog eens vinden. Dus wordt zo nu en dan even richting Appingedam gereden. Het is er momenteel nogal droog, dus heb ik maar 5 soorten gevonden. 2 soorten wil ik hier even melden. Allereerst de Harslakzwam (Ganoderma resinaceum) groeiend onderaan de stam van een eik. Een vers exemplaar en geheel bedekt met sporen. Voor de foto heb ik die sporenlaag deels weggewist (foto 1). De soort is nog niet eerder gemeld van Ekenstein.

 

 

De andere vondst is zelfs nieuw voor Groningen. Op een oud vruchtlichaam van een zadelzwam die van een Paardenkastanje is afgevallen, meen ik een rode en geel-oranje waas te zien (foto2). Door mijn loupe zie ik inderdaad ± 0.3 mm "grote" bolletjes en kommetjes die er uitzien als gesuikerde snoepjes (foto 3).

   

 

Thuis kom ik met Nordic macromycetes gemakkelijk uit op Nectria peziza. Ook  Dennis als Ellis & Ellis nog even geraadpleegd. Zij maken melding van sporen met overlangsgestreepte wanden. Die kan ik pas na kleuring met katoenblauw waarnemen (foto 3 inlay). En dat neemt het beetje twijfel, dat er is ontstaan weg. Ik heb het Ingedeukt meniezwammetje gevonden. Nog 2 opmerkingen:

  1. De kleurschakering van de vruchtlichaampjes (de perithecia) op het meegenomen stukje Zadelzwam is groter dan de meeste beschrijvingen melden n.l. van lichtgeel (verdroogde) oranjegeel, oranje, menierood tot donker bruin-rood.
  2. Verder is slechts een deel van de perithecia ingedeukt. Ze zijn namelijk eerst bolvormig, pas later zakken ze in en worden komvormig.

 




Bijzondere houtzwam op wilgentakken

Tekst Roeland Enzlin, Foto Henk Pras

 

Tijdens de eerste excursie van het jaar van de paddenstoelenwerkgroep IVN Roden naar De Petten bij Peebos op 23 augustus werd diverse keren een opvallende, maar iets ingedroogde houtzwam gevonden. De poriën waren hoekig en meest wat bleek bruin gekleurd. De rand van de afgeplatte vruchtlichamen zonder hoedjes (resupinaat) was opvallend licht gekleurd. Omdat de eerste exemplaren al wat ouder leken werd hier al gauw de naam Abrikozenbuisjeszwam (Schizopora flavipora) aan gegeven. Ze groeiden uitsluitend op dode wilgentakken boven de grond.

Soms heb je van dat onderbuikgevoel dat iets niet klopt en dat had ik hierbij ook. De kleur was niet oranjegelig genoeg, dat opvallende lichtgekleurde randje “irriteerde” me, de poriën waren veel te hoekig en bovendien gewimperd, en de buisjeswanden waren opvallend dun. Veel dunner dan bij een Tandzwam (Schizopora) gebruikelijk is. Ook bleek later dat het vlees van de buisjes zacht was en niet iets taai. Kortom, dit moest toch wel iets anders zijn en na microscopisch onderzoek bleek dat ook te kloppen.

       

 

Onder de microscoop viel op dat het vlees uit één type dunne buizen bestond (monomitisch). De scheidingswandjes tussen twee cellen hadden gespen. Net zo als de basis van de basidiën. Er waren geen echte cystiden aanwezig. Soms vond ik wel iets dat op een cystidiole (nep-cystide) leek. Het beeld werd hinderlijk vertroebeld door de vele oliedruppels die tussen de cellen aanwezig waren. Ook zaten er vele harsklompen en diverse harskristallen tussen de cellen. Dit laatste bleek een doorslaggevend kenmerk te zijn. De sporen waren plusminus ellipsoid (4-6 x 2-3 mu), doorzichtig en niet gekleurd.

Met Ryvarden & Gilbertson (1993) kom je in enkele stappen bij het geslacht Ceriporiopsis uit. Drie kenmerken zijn daarbij van belang, te weten monomitisch, geen cystiden en wel gespen. Het lukte niet direct om een passende naam te vinden voor deze houtzwam, maar al snel bleek dat er een fout in de tabel zat. Al snel rolde de naam Ceriporiopsis resinascens uit, gebaseerd op sporenvorm en –maten, kleur van de poriën en de aanwezigheid van de vele harsklodders.

In de verspreidingsatlas (http://www.verspreidingsatlas.nl/254040) staan slechts twee waarnemingen van deze soort met de Nederlandse naam Harsporia gemeld. Een echte zeldzaamheid dus. Om zeker te zijn van de juiste determinatie is het materiaal gecontroleerd door Eduard Osieck, een houtzwammenspecialist. Hij heeft de waarneming inmiddels bevestigd.

 

 

 

Aan de slakken ontfutseld

Tekst en foto: Henk Pras

 

Bij het onkruidwieden rond een oude Thujastomp in mijn tuin vond ik op 15 augustus een paddenstoel die ik aanvankelijk voor Purperbruine parasolzwam uitschold, want de lamellen waren nog mooi wit. Of zou het gezien de paarse tinten de Lilagrijze of Violetbruine vezelkop zijn? Het bleek echter de Bleke stippelsteelsatijnzwam (Entoloma allochroum) te zijn, ternauwernood aan de slakken ontfutseld. Hij onderscheidt zich van verwante soorten door de sterk hoekige sporen. Deze zeer zeldzame soort is oorspronkelijk beschreven van een tuin in Aerdenhout en staat als gevoelig op de Rode lijst. Dit is de eerste vondst in Groningen.
http://www.verspreidingsatlas.nl/040020#

 

 

 

 

 

Entoloma jahnii

Tekst Inge Somhorst, foto Kor Raangs

 

Op 9 augustus togen Kor Raangs en ik naar de grens met Friesland om enkele nul-hokken te inventariseren. In een betrekkelijk jong loofbosje langs de A7 in Trimunt vonden we in een vochtige rotte stomp van een jonge eik tientallen kleine witte paddenstoeltjes met een viltig-harige hoedje en aflopende lamellen. De kromme steeltjes kleurden roze-bruin daar waar lamellen boven hingen, oude exemplaren werden geheel roze-bruin. De steelbasis is aan het rotte hout vastgehecht met een web van witte myceliumstrengen. Achter de microscoop bleken de haren op de hoedhuid en de steel geknopt te zijn en gespen aanwezig. Met deze kenmerken kom je op Entoloma jahnii. De sporen van onze collectie zijn echter kleiner dan in de literatuur wordt aangegeven en de spaarzame lamellen zien eruit als al dan niet gevorkte dikke plooien die ver aflopen op het steeltje. Volgens Chiel Noordeloos is er nogal wat variatie binnen deze soort, mogelijk zijn er meerdere soorten te onderscheiden.
http://www.verspreidingsatlas.nl/041880

 

 

 

 

 

Mosschelpje 
Tekst: Inge Somhorst

 

 

Op 3 januari werd het Mosschelpje (Chromocyphella muscicola) gevonden op mos op een levende Beuk langs het fietspad door de Appelbergen. Hoewel dit niet zo’n zeldzame soort lijkt te zijn was dit de eerste vondst voor Groningen. De schelpjes zelf zijn erg klein maar de bleke kringen in het mos die door deze schimmel veroorzaakt worden zijn zeer opvallend. Zie ook het artikel in Coolia http://www.mycologen.nl/Coolia/PDF-files/pp67-72_Coolia52(2).pdf.