Vondsten 2014

Wit speldenknopje (Physalacria cryptomeriae)
Tekst: Richard Dijkstra

 

Met paddenstoelen is het vaak maar net wat je onder ogen komt, zowel in het veld als in de boeken. Eind november zat ik door mijn recent aangeschafte Funga Nordica te bladeren, ook om de nieuwe taxonomische indeling een beetje in mijn kop te krijgen, en kwam de familie van de Physalacriaceae tegen. Bekende geslachten uit deze familie zijn die van de honingzwammen, fluweelpootjes en kegelzwammen. Maar dus ook het geslacht Physalacria. Eén soort wordt genoemd, Physalacria cryptomeriae, die op oude twijgen en naalden van de Japanse cipres (Cryptomeria japonica) groeit. In de Hortus waar ik werk staat een aantal exemplaren. In de Laarmantuin kon ik niets vinden, maar in de siertuin was het raak, het was de 3de Cryptomeria die ik bekeek! De naam Wit speldenknopje is treffend gekozen. De vruchtlichaampjes bestaan uit een rond kopje op een steeltje en meestal een schijfvormige voet. Het hymenium zit aan de buitenkant van het kopje en op het gehele vruchtlichaampje zijn cystiden aanwezig. De basidiën zijn 4-sporig. Ik vond ze op de naalden van twijgen op de grond, maar volgens Funga Nordica zouden ze ook in afgestorven twijgen kunnen voorkomen die nog aan de boom vast zitten, wat ik niet heb kunnen vaststellen.

De soort is in 1981 beschreven en het eerst gevonden in The New York Botanical Garden, terwijl de Japanse cipres van oorsprong alleen in Japan voorkomt. Maar deze conifeer is wereldwijd aangeplant in tuinen en parken. Inmiddels is het Wit speldenknopje ook in Japan gevonden en in Europa vooral in Denemarken. Daar hebben ze ’m dus wel in de smiezen. Volgens de verspreidingsatlas is er in Nederland één vindplaats in Noord-Brabant.

Gegeven het feit dat ik bij de 3de Cryptomeria  al prijs had zou je toch zeggen dat het geen zeldzaamheid is. Het gaat om een klein paddenstoeltje en veel mensen zullen niet bekend zijn met de Japanse cipres, dus dat verklaard wel het een en ander. Ikzelf zal toch elke keer even checken als ik een Cryptomeria tegenkom. Er zijn ook nog zat coniferenkwekerijen…

Voor mooie foto’s verwijs ik naar de site van de deense mycologische vereniging:

http://svampe.dk/soeg/rapportside.php?DKIndex=18713

 

 

Een gouden trilzwam
Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Tussen vorst, regen en wind zijn er af en toe ook zonnige momenten en dan gaan we graag even naar buiten, liefst een “zwart hok” inventariseren, want er is nog wel het een en ander te vinden. Zo bezochten we op 19 december een bosje langs het Noord-Willemskanaal met veel (omgewaaide) schietwilgen, elzen en enige struweelwilgen, van wilgenstruweel was nauwelijks sprake. Midden in zo’n lage wilg viel mijn oog op een takje met trilzwammen, goudkleurig in de lage zon.  Ze waren doorschijnend en mooi van vorm, groot voor de dunne takjes waar ze op en aan hingen. De bovenzijde was iets zemelig en werd afgescheiden van de onderkant door een scherp randje, waarbij aan de bovenzijde aan dat randje een opvallende rimpeling te zien was. Overal in de wilg hingen ze, dunne takken vol met gouden trilzwammetjes. Ik had ze nog nooit gezien. Determinatie bleek eenvoudig, het betreft de Toltrilzwam, Exidia recisa. Het is een zeldzame soort die een keer eerder in Groningen is gevonden, in het Lieftinghsbroek. Het lijkt overigens geen typische wintersoort te zijn, twee waarnemingen uit Zuidwest Drenthe stammen uit mei en juni, die uit het Lieftinghsbroek uit oktober.

 

 

 

 

Een knotsje met waterpokken
Tekst: Inge Somhorst, foto’s: Kor Raangs en Inge Somhorst

 

Eind november vonden Kor Raangs en ik tijdens een inventarisatie voor het groninger karteringsproject dit kleine knotsje op een wat ruderale plek op een oude dijk langs het Reitdiep. Het knotsje zat van onder tot boven helemaal vol met kleine puntjes, wat met de loep bezien kleine vruchtlichaampjes bleken te zijn (foto detail linksonder). In mijn ogen leek het op een onbekende Cordyceps (Rupsendoder en verwanten), maar daar bleek geen passende naam voorhanden, en onder de microscoop klopte er niet veel van. Een mailtje met foto’s  naar de deelnemers aan het ascomycetenproject van de NMV maakte heel wat reacties los. Een Zwameter (Hypomyces), dat was wel zeker, maar welke? “Veel succes”, stond er onderaan één mailtje. Atte van den Berg meldde dat hij wel erg leek op zijn vondst eerder dit jaar (2014) uit het Spijkbos in Oost-Flevoland, door Stip Helleman gedetermineerd als Hypomyces porphyreus. Met Nordic Ascomycetes determineer je daar inderdaad zo naar toe. Stip heeft ook dit materiaal bekeken en komt tot dezelfde conclusie. Hypomyces porphyreus is een parasiet op agaricales, onder andere Satijnzwammen, maar de gastheer was in dit materiaal niet meer vast te stellen. Wel is op doorsnede nog een zwart geworden paddenstoel te herkennen (rechter foto). Hij is bijna 50 jaar geleden ooit een keer gevonden in Brabant, en nu dus twee maal in 2014.

 

 

 

De Vierslippige aardster (Geastrum quadrifidum)
Tekst: Jan Menzinga, foto’s: Jan Menzinga en Kor Raangs

 

Op 12 oktober 2014 ging ik met een groepje IVNers van de afdeling Zuidlaren voor een paddenstoelenexcursie naar het sparrenbosje in Kolham. Geen vreemde omgeving voor mij persoonlijk, want het is mijn geboorteplaats. Ook voor de MWG en PWD geen onbekend terrein. Nadat we reeds verschillende heksenkringen van de Roodbruine schijnridderzwam en diverse soorten Parasolzwammetjes en veel Nevelzwammen hadden gezien, kwamen we aan op een open plek midden in het gebied, waar ik o.a. de Groenwordende koraalzwammen en Paarse schijnridders wilde  laten zien.

Terug naar het pad viel van één van de excursiegangers het oog op een voor haar onbekend exemplaar en toen was ik toch ook wel verrast, dat er een paar exemplaren waren te bewonderen van aardsterretjes, die ik daar nog nooit had gezien. Er stonden 8 exemplaren, waarvan één vrij verse en ook al een paar op zijn retour. Mijn vermoeden, dat het de Vierslippige aardster (Geastrum quadrifidum) moest zijn, werd later bevestigd. Lang geleden had ik hem één keer gezien in de Flevopolder en eigenlijk had ik direct de link gelegd, omdat hij me onmiddelijk terug deed denken aan die excursie. Ik ben de volgende dag teruggegaan en heb ze fotografisch vastgelegd.

 

 

Volgens Inge is deze soort nog nooit eerder in Groningen waargenomen. Weer een bijzondere vondst in dit bosje bijgeschreven. Mijn dag en die van de excursiegangers kon dus niet meer stuk. 

Van een gedroogd exemplaar maakte Kor Raangs de volgende collage, waarbij goed te zien is dat de Vierslippige aardster een nest vormt. Als de jonge aardster omhoog komt laat deze los van de buitenste laag die in de aarde achterblijft – alleen de punten van de slippen blijven vastzitten aan de buitenlaag zodat een “nestje” ontstaat.

 

 

 

 

KNNV Oost-Groningen vindt Armbandgordijnzwam

Tekst en foto: Henk Pras

 

Al eeuwenlang zocht dag en nacht

een grote mycolotenmacht

vruchteloos naar armillatus,

totdat een groepje dilettanten

zich meester maakte van de klus

en zowaar in Muntendam

wat exemplaren tegenkwam

 

 

 

 

 

De Korrelige inktzwam (Coprinopsis patouillardii) biedt zich aan

Tekst en foto’s: Kor Raangs

 

Mede door het prachtige weer heb ik me tot begin augustus vnl. met vogels en vlinders bezig gehouden en nauwelijks met paddenstoelen. Met een uitzondering van een erg korte periode rond het begin van de zomer, toen ik inktzwammetjes in mijn kweekbakje met pastinaak zag verschijnen. 

Hele kleine inktzwammen zijn bij nogal wat amateur mycologen niet zo populair. Zulke kleine soorten moeten eigenlijk altijd meegenomen worden, omdat ze alleen m.b.v. een microscoop goed op naam kunnen worden gebracht. En hun ontwikkeling gaat zo snel dat van een ‘s-morgens verzamelde collectie ‘s-avonds soms nog slechts een zwart drabje over is. Liefhebbers van deze soortengroep verzamelen deze hele kleine inktzwammen daarom meestal met substraat en al, in de hoop dat zich thuis nog nieuwe vruchtlichamen ontwikkelen, om zo de kans op een juiste determinatie te verhogen. Kortom, door in een van mijn kweekbakje te verschijnen leek dit inktzwammetje zich zo nadrukkelijk ter determinatie aan te bieden, dat ik daar wel op moest in gaan.

 

De vruchtlichaampjes hebben (licht-)bruinige korreltjes op de hoed, die onder de microscoop samengesteld blijken te zijn uit kleine, bolle en iets langwerpig bolle elementjes. De sporen hebben 5 afgeronde hoeken en zijn niet omhult door een myxosporium (een soort zakje om de spore). Hoewel er onderaan de steel soms wel een randje valt waar te nemen, is er geen sprake van een ringetje. Al deze kenmerken samen laten nog slechts een keuze tussen 2 soorten over, de Korrelige inktzwam en de Korrelige mestinktzwam. De gemeten sporengrootte past goed bij de maten van de eerste. En omdat de teelaarde in het kweekbakje een mengsel is van zandige klei met veen lijkt de Korrelige inktzwam (Coprinopsis patouillardii) de juiste naam voor dit 3 x eerder uit Groningen gemelde inktzwammetje.

 

 

Uiteindelijk heb ik de ontwikkeling van 9 vruchtlichamen kunnen volgen. Allereerst is me opgevallen dat de kleur en hoeveelheid velum op de hoedjes wat variabel is. En dan die ontwikkelingssnelheid! Kleine inktzwammen zijn echt de eendagsvliegen onder de paddenstoelen. Binnen een etmaal zijn ze weer geheel vergaan. Op de groeisnelheid van mijn pastinaken heeft dit denk ik geen invloed gehad. Ze deden alleen al over het ontkiemen bijna 3 weken en de wortels zullen waarschijnlijk pas aan het begin van de winter een maaltje opleveren.

 

 

Zeldzaam blauw

foto: Roeland Enzlin

 

Tijdens de excursie langs de oostoevers van het Zuidlaardermeer vond Roeland Enzlin schuilend onder het hoedje van een Hooilandwasplaat een heel bijzonder paddenstoeltje, het Grootsporig staalsteeltje, Entoloma cyanulum.

 

 

 

Snipperhopen en Kattenoren

tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Half augustus ontdekten we in Glimmen een houtsnipperhoop met daarop van verre zichtbaar grote hoeveelheden paddenstoelen, het bleken Geaderde leemhoeden. Nadere inspectie van de bult leverde nog een soort op, een wit onregelmatig gevormd “schelpje” dat sterk naar meel rook. Een molenaar. Wel wat groot voor de Gewone schelpjesmolenaar en ook de sporen bleken daarvoor niet te kloppen, ze zijn iets kleiner en duidelijk smaller dan 5 mu en minder uitgesproken geribd. Met de FAN en Funga Nordica loop je dood, maar met Gröger en Ludwig kom je bij Clitopilus passeckerianus, de Kattenoorzwam, een soort van champignonculturen, paardenmest, rottend papier e.d. Houtsnippers als substraat heb ik nog niet gelezen maar ligt enigszins in de lijn. Op Verspreidingsatlas staan twee stippen, één in Gelderland en één in Brabant. Volgens dezelfde site is er wel wat onduidelijkheid over deze soort getuige de opmerking: Nederlandse opgaven twijfelachtig. De wat merkwaardige Nederlandse naam (in het duits Katzenohr) slaat denk ik op de vorm van het vruchtlichaam; jonge vruchtlichamen zijn nog min of meer schelpvormig maar vooral de grotere (tot zo’n 3 cm lang en 5 cm breed als je hem zou uitrollen) zijn in lengterichting opgekruld. Andere vruchtlichamen zijn onregelmatig gelobd of zijn met het hoedje vergroeid met een stukje hout en soms zitten een paar vruchtlichamen bij elkaar geclusterd, en is het lastig te zien waar één begint en de ander ophoudt. Een zootje. En dan wordt hij ook nog erg gewaardeerd door de naaktslakken …

 

 

 

 Nieuws uit de kas

Tekst: Richard Dijkstra

 

Ik werk in de Hortus in Haren en het hele terrein blijkt zeer rijk aan paddenstoelen. Inmiddels zijn we er ook achter dat in de kassen, hoewel die grotendeels niet meer verwarmd worden, allerlei soorten opduiken, die je buiten zelden of nooit zult aantreffen. Zo was ik op een dag alle potten in onze kweekkassen aan het gieten en viel mij niets op. De dag erop was er een van de vrijwilligsters die kwam aanzetten met een volgroeide gele paddenstoel. Meteen wist ik wat het moest zijn, namelijk Leucocoprinus birnbaumii, de Goudgele plooiparasol. Een tropische soort, die in West-Europa alleen in verwarmde kassen wordt gevonden, overigens niet zeldzaam. Nog diezelfde dag vond ik in onze Grote onverwarmde kas een Lepiota-achtig geval. Na veel puzzelen kwam ik met mijn Collins Fungi Guide uit op Cystolepiota cystidiosa. Na controle door Inge Somhorst bleek dit juist, de Geelcellige poederparasol. Deze soort is een exoot uit Noord-Amerika en niet typisch voor kassen. Ik kan er verder weinig over vinden. Opvallend aan de soort zijn de geprononceerde schubben op de hoed, het ontbreken van een ring en de vlokkige steel. De hoed is niet zichtbaar bepoederd, zodat Cystolepiota niet meteen voor de hand ligt.

 

 

 

 

Klussen uit de heemtuin
tekst en foto’s: Henk Pras

 

In de IVN-tuin te Stadskanaal worden regelmatig leuke mycologische ontdekkingen gedaan. Zo werd onlangs na gedane onderhoudswerkzaamheden op een bankje uitgerust. Ons oog viel op een onooglijk onbekend polypoortje. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn aversie om polyporen te determineren. De sporen hadden opvallende kenmerken: ze waren dikwandig en afgeknot (truncaat) en bleken roodbruin te kleuren in Melzer’s reagens (dextrinoid) en blauw in katoenblauw (cyanofiel). Met zoveel houvast was het klusje vlot gepiept en kon Gelaagde poria (Perenniporia medulla-panis) genoteerd worden. Het loodzware eikenhouten bankje werd nadien grondig geïnspecteerd en zo werden mooie exemplaren aan de onder- en achterkant gevonden. Bernhard de Vries meldde dat hij deze zeer zeldzame houtzwam eenmaal in Drenthe had gevonden, in een holte in een eikenhouten bankje…

 

naschrift: de juiste naam voor deze zwam is Perenniporia meridionalis, zie Coolia 58/3 blz 116

 

Twee andere bijzondere recente vondsten uit dezelfde heemtuin zijn het bedreigde Stromesthazepootje (Coprinopsis macrocephala, links) en het zeer zeldzame Tonsuurkaalkopje (Deconica subviscida var. velata, rechts).

 

 

 

Lente in Groningen

Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Het is lente en je verlangt naar buiten, al vallen er links en rechts wat hagelbuien en lijkt er op paddenstoelengebied nog niet zoveel te beleven. We liepen een oever af van een gegraven plas bij Vlagtwedde, die op google-maps veelbelovend had geleken maar in werkelijkheid toch wat tegenviel. Speurend naar bekertjes viel mijn oog op iets wat deed denken aan een mandarijnenschil. Maar voor deze ene keer was het dat niet. Na het verwijderen van wat rietresten bleek het een heuse bekerzwam van een paar centimeter doorsnee, dooiergeel, iets naar oranje neigend. De buitenzijde was merkwaardig genoeg gedeeltelijk blauwgroen! Nogal een spectaculair gezicht. Na voorzichtig verder graven kwamen twee grotendeels donkergroene, nog wat gesloten bekers te voorschijn en verderop nog meer oranjegele, alle met meer of minder groen, vooral aan de buitenzijde.

 

 

Ze stonden vlak aan het water wat verborgen onder rietresten, links en rechts werd de groeiplek begrensd door bloeiende wilgen, en iets verder een els en een berk. Ik wist niet wat het was, we dachten zelfs nog even aan een aantasting maar onder de loep leek dat toch niet zo; het blijkt dat de bekerzwam bij druk groen verkleurt. Totaal stonden er ongeveer 15 exemplaren verspreid over 2 groepen. De toepasselijke naam voor dit fraais was snel gevonden: de Lentebekerzwam (Caloscypha fulgens). Voor eerdere vondsten in Flevoland en Noord Brabant zie http://waarnemingen.paddestoelenkartering.nl/. In de literatuur wordt weleens geopperd dat de Lentebekerzwam mycorrhiza’s zou vormen, in Nederland met berk of misschien wilg. Tijdens de Floradag van de NMV afgelopen zaterdag werd deze mooie beker echter als parasiet ontmaskerd, en zijn naaste verwant zou de Oliebolzwam (Rhizina undulata) zijn!

 

 

 

Uit de tuin van Henk

Foto: Henk Pras

 

De tuin van Henk Pras heeft al veel fraais opgeleverd en blijft maar nieuwe bijzonderheden voortbrengen. Op 16 februari vond Henk in een rommelhoekje in zijn tuin op een kalkrijk plekje onder een wijnstok de Baretaardster, Geastrum striatum.

 

 

 

 

Kleine toegift

Tekst en foto: Inge Somhorst

 

Op 12 januari vond Ubel Medema tussen het mos op een muurtje op de begraafplaats in Haren het Roze grondschijfje, Roseodiscus formosus. Hij doet van deze vondst verslag op zijn blog: ubelskiek.blogspot.com.  Vandaag, 11 februari, vond ik de kleine zachtroze gesteelde schijfjes op het tracé van het oude spoorlijntje in Kolham, op het schrale talud van kiezels dat begroeid is met lage mossen. Er groeiden er honderden, met een diameter van 0,5 tot 3 mm. Jong zijn het relatief dikke steeltjes met uitlopende toppen die aan de bovenzijde wat ingedeukt zijn, de oudere exemplaren hebben juist een iets bolle kop.  De zachte winter blijkt een goed seizoen te zijn om op zoek te gaan naar kleine schijfjes die bij mossen groeien.

 

 

 

 

Winterse verrassing

Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Tijdens een winterexcursie van de MWG in Wagenborgen viel het oog van Roel Douwes op een groepje grijzige paddenstoelen in een loofhoutsingel op het parkachtige terrein van de voormalige psychiatrische inrichting Groot Bronswijk: “daar staat nog de Zilveren ridderzwam”. Ik had hem al bijna genoteerd maar bij nadere inspectie bleken de paddenstoelen roze lamellen te krijgen, het was een satijnzwam. Tja, maar welke dan? Op enkele vierkante meters kwamen meerdere compacte groepjes uit de grond, de grootste hoed zo’n 10 cm doorsnee. We spraken over de ecologische aspecten van satijnzwammen, de meeste groeien saprotroof. Maar deze behoorde duidelijk tot het ondergeslacht Entoloma, waarvan bekend is er mycorrhizavormers toe behoren. Zou dit dan één van de voorjaarssatijnzwammen zijn? Die staan vaak onder roosachtigen, maar er zijn er ook die onder Iep groeien. Ubel Medema, die veel van bomen en struiken weet, herkende het geboomte waaronder de paddenstoelen stonden ook bladloos direct als Veldiep. Na even zoeken vonden we in het strooisel het bijbehorende blad met scheve bladvoet voor op de foto. De hoeden zijn niet hygrofaan en vrij donker grijsbruin maar deels bedekt door een witachtige laag, waardoor de hoed een vlekkerig aanzien krijgt. De stelen zijn wit en de geur is melig, vooral na doorsnijden. Onder de microscoop vallen de grote ronde sporen op. Met de boeken van Chiel Noordeloos determineer je dan moeiteloos naar Entoloma saundersii, de Zilverige satijnzwam. Enige kanttekeningen zijn er wel te maken: de Zilverige satijnzwam is een forse soort, vaak met een dikke steel, deze vruchtlichamen zijn aan de slanke kant en we konden geen gespen in de hoedhuid vaststellen, wel aan de basis van de basidiën. De aangehechte aarde, de vroege verschijningstijd en afbeeldingen in de literatuur (Krieglsteiner!) en op de site van Chiel Noordeloos lijken onze determinatie evenwel te bevestigen. De Zilverige satijnzwam is in west-Nederland niet zo’n zeldzame soort, maar in het noorden staan alleen in Friesland twee stippen op de verspreidingskaart. Opvallend is dat hij in de nieuwe standaardlijst te boek staat als biotrofe parasiet.

 

 

 

 

Paardenpoep 

Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

De eerste zondag van het nieuwe jaar was een prachtige dag voor een rondwandeling rond Bourtange.  Waar ooit de strijd woedde bleek door het Groninger Landschap een fraai natuurgebied geschapen; van toenmalige landbouwgrond is in 2005 de bouwvoor verwijderd waardoor er een grote vochtige voedselarme vlakte is ontstaan die nu vol staat met mossen in prachtige winterkleuren. Het gebied wordt begraasd door Koniks en dat is te merken: overal ligt paardenmest, goed voor vele paddenstoeltjes als Blauwvoetkaalkopje en Donzig breeksteeltje, maar ook twee nieuwelingen voor de provincie. Op een vrij droge keutel groeide het Slijmrandkaalkopje (Psilocybe liniformans), gemakkelijk te herkennen aan de gelatineuze lamelsnede die er met een naaldje af te stropen is. De blauwgroene zweem op de steel is kenmerkend voor het uitgeklede geslacht Psilocybe  dat nu vrijwel alleen de blauwverkleurende kaalkopjes bevat. Op vochtige, meer uitgespreide mest groeide een groepje speldenprikzwammen. Wel even onder de microscoop want zowel de Grote als de Kleine speldenprikzwam kunnen op paardenmest voorkomen. De relatief smalle sporen (smaller dan 11 mu) geven de doorslag: Grote speldenprikzwam, Poronia punctata. Helemaal nieuw bleek deze waarneming trouwens niet te zijn, een wandelende dame vertelde dat ze hem al eens gezien had tijdens een excursie in hetzelfde gebied. Die waarneming heeft ons bestand nog niet bereikt.