Vondsten 2015

Hypocrea foliicola nieuw in Nederland
Vondst en foto: Henk Pras, tekst: Inge Somhorst

 

Op 26 augustus 2014 vond Henk Pras in zijn onvolprezen Vledderbos kleine bolletjes op Lariksnaalden. De bolletjes waren bleek met donkerder puntjes, en dat maakt het geslacht eenvoudig: een Hypocrea (Kussentjeszwam). Met de beschikbare literatuur kwam hij niet tot een bevredigende determinatie. Hij nam een grote pot Lariksstrooisel met daarin de bolletjes mee naar de werkgroepavond maar niemand kon hem daar verder helpen. Het materiaal is vervolgens opgestuurd naar Eduard Osieck die zich in dit uitgebreide geslacht heeft verdiept. In eerste instantie kon Eduard ook geen match vinden – er is geen witsporige Hypocrea beschreven van naaldenstrooisel - maar hij vond in de literatuur een onlangs beschreven soort van eikenblad die er wel op leek. Henk werd met een flesje KOH-oplossing terug het veld in gestuurd: werden de puntjes rood in KOH? Jawel, dat gebeurde. Ook de anamorf (ongeslachtelijk stadium) was aanwezig. Op het substraat na wijkt de vondst van Henk niet af van het beschreven materiaal uit Duitsland en Denemarken, waar de soort inmiddels ook op berkenblad gevonden is.

 

 

Walter M. Jaklitsch and Hermann Voglmayr. 2012.Hypocrea britdaniae and H. foliicola: two remarkable new European species.  Mycologia 104(5): 1213–1221. doi:10.3852/11-429.

 

 

 

Bijzonder fraai en bijzonder lelijk
Tekst: Inge Somhorst, foto’s: Inge Somhorst en Henk Pras

 

Laat in het jaar, als de meeste mycorrhizasoorten het laten afweten, is een goede tijd om naar paddenstoelen op dood hout te kijken. Het Curringherveld bij Kornhorn is een overwegend vochtig tot nat gebiedje met plassen, graslanden, een heitje, bosjes en lanen dat beheerd wordt door een plaatselijke stichting. Deze ziet de meerwaarde van het laten liggen van (groot) dood hout en daar plukten we op 4 december de vruchten van. We troffen zeer fraai uitgevoerde vruchtlichamen van o.a. de Getande boomkorst en het Gestekeld rouwkorstje (Tomentella crinalis). De laatste groeide op een dikke elzentak en het is de eerste vondst in Groningen.

 

 

Op een zeer dikke holle stronk (beuk?) groeide de Dikke kelderzwam. En op die kelderzwam zaten galachtige klompen, kleine en wat grotere. Volgens Henk de lelijkste zwam die hij ooit is tegengekomen! Misschien waren we er aan voorbij gegaan ware het niet dat ik deze enkele weken daarvoor ook gezien had, tijdens het Cristellaweekend in de Noordoostpolder. Daar stonden we in eerste instantie voor een raadsel tot een bijgeschreven opmerking in het korstjesboek de oplossing bracht:  de Dikke kelderzwam wordt soms geparasiteerd door Nodulisporium cecidiogenes die gallen vormt. Dat bleek in het Waterloopbos het geval te zijn, en zo ook hier. De Groningse vondst lijkt daarmee de tweede waarneming uit Nederland te zijn. Nodulisporium cedidiogenes is een anamorf; in het microscopisch preparaat zijn alleen conidiën en conidiëndragers te zien. Hij is tot nu toe alleen gevonden op de Dikke kelderzwam. Het vermoeden bestaat dat de soort verwant is aan Tremella; in de literatuur wordt een vergelijking  gemaakt met de Kerntrilzwam die parasiteert op de Dennebloedzwam (Piatek et al).

 

 

PI?TEK, M. & D. KARASI?SKI (2008) Polish Botanical Journal  53(2): 183–186 NODULISPORIUM CECIDIOGENES – A MYCOPARASITE OF CONIOPHORA PUTEANA FOUND IN POLAND

 

 

Wit kroonknotsje  (Clavicorona taxophila)
Vondst: Willem Stouthamer, tekst en foto: Inge Somhorst

 

De Eemshaven is afgelopen jaren in hoog tempo volgebouwd en van de planten- en paddenstoelenrijkdom van weleer lijkt vrijwel niets meer over. Toch blijft een inventarisatie daar de moeite, bleek dit jaar bij een aantal bezoeken. Op 11 november vond Willem Stouthamer in de strook “compensatienatuur” deze kleine witje knotsjes, groeiend op een stukje verteerd hout in een vochtig struweel. Geen van de aanwezigen had ooit eerder zoiets gezien, maar met zo’n voorkomen en groeiwijze zou het vast niet al te moeilijk zijn. Thuis kwamen we al gauw op het Wit kroonknotsje,    verwant aan de grotere en wellicht bekendere Kroontjesknotszwam, in de familie van het Oorlepelzwammetje (! ). En die familie valt op zijn beurt in de Russulales, wat dit witte knotsje een verre verwant maakt van onze russula’s en melkzwammen. Onder de microscoop kun je dan ook oliehoudende hyfen zien en (met moeite, dat wel) dat de sporen versierd zijn met een amyloide ornamentatie.  De soort wordt maar weinig gemeld, ook in de rest van Europa. Misschien omdat het maar een klein paddenstoeltje is maar door zijn kleur valt hij toch wel op. In Nederland staat hij als bedreigd op de Rode lijst, op Verspreidingsatlas staan 6 oude en 6 recentere stippen. Dit is de eerste melding uit Groningen.

 

 

 

Rondsporig trechtertje  (Fayodia bisphaerigera)
Tekst en foto: Inge Somhorst

 

“Kolham” heeft al veel bijzonderheden opgeleverd maar blijft boeien. De mycoflora begint duidelijk te veranderen met het ouder worden van het bos. De hoeveelheid strooiselverterende soorten is toegenomen en vorig jaar berichtten we hier al over de Vierslippige aardster. Tijdens de voorbereiding op een excursie voor de inwoners van het dorp met Roel Douwes vonden we twee exemplaren van een trechterzwam-achtig paddenstoeltje. Ze leken vrij alledaags van kleur en habitus, maar fijntjes. Bruin, fijngestreept hoedje, aflopende, wat grijzige lamellen, en een slank, bepoederd, vrij stijf steeltje. De geur was iets melig met een nitreuze component. Onder de microscoop vielen gelijk de grote cystiden en de ronde sporen op, die bovendien stekelig geornamenteerd waren en.. bij sommige sporen leek die ornamentatie bedekt met nog een buitenlaag. Dat zou duiden op een Fayodia! De ornamentatie kleurt blauw in Melzer’s reagens en bij 1250x is de bijzondere bouw van de spore goed te zien. Met de beschikbare sleutels kom je binnen dit geslacht eenvoudig op het Rondsporig trechtertje, Fayodia bisphaerigera. Op Verspreidingsatlas is één oude waarneming te vinden van voor 1940 bij Oosterbeek. Mogelijk zijn er enkele recente waarnemingen die nog niet zijn opgenomen. In het OPN staat als habitat: naaldbos op kalkrijke of voedselrijke zandgrond, en dat klopt precies.

 

 

 

 

Op de knieën voor bijzondere soorten
Tekst en foto’s: Kor Raangs

 

23 oktober 2015. Vandaag wil ik selectiehok 239x598, oostelijk van Kantens bezoeken. Ik kijk op de topografische atlas en tevens zoom ik op de laptop m.b.v. Google Maps in op het hok. Voornamelijk agrarisch gebied. Dit hok is selectiehok geworden omdat er een, door SBB beheerd weidegebiedje met wat rietplassen in ligt. Maar ik betwijfel of ik de 11 soorten, de limiet om een inventarisatie van een gebied als een volwaardig bezoek te kunnen beschouwen, hier wel ga halen.

Ik heb een vergunning van SBB voor het betreden van hun terreinen om paddenstoelen te inventariseren, maar om bij de plassen te komen moet ik door een aantal weilanden.  Ik vraag me af of al die weilanden wel van “Staatsbos” zijn of dat enkele misschien toch van een plaatselijke boer zijn. Maar met mijn groene kleren lijk ik wel wat op een boswachter, dus waag het er maar op.

Dit wordt zo als verwacht inderdaad een inventarisatie met nauwelijks soorten denk ik, wanneer ik me al ruim een kwartier door het riet rond de plas worstel. Ik heb nog maar 1 soort kunnen noteren en die is niet eens van het riet maar van een koeienvlaai, gevonden in een van de weilanden.

Er rest nog maar 1 ding: Op de knieën. Ik biecht het hier maar eerlijk op. Ik ga tijdens het inventariseren zo nu en dan door het stof voor paddenstoelen. Ik beweeg me dan al kruipend voort ondertussen met een loep takjes, stengeltjes en blaadjes afspeurend. Zo vind ik bijna altijd wel “klein spul”. Ook nu weer. Allereerst blijken er tientallen Rietwieltjes (Marasmius limosus) op oude bladeren van het riet te groeien. Op wat oude brandnetelstengels zie ik het Zwavelgeel franjekelkje (Trichopeziza sulphurea) en het Kruidenvulkaantje (Leptoshaeria doliolum).  En ook al meen ik deze 2 soorten goed te kennen, ik neem toch wat stengeltjes mee voor een korte controle.

Na nog een uurtje kruipen en fotograferen kom ik tenslotte weer overeind met nog 4 soorten meer in mijn doosje. Van 3 soorten vermoed ik in het veld dat het wel eens bijzondere soorten zouden kunnen zijn en daarom heb ik ze uitgebreid gefotografeerd.

Ik blijk niet voor niets op te knieën te zijn gegaan. 2 van de 3 soorten zijn nieuw voor Groningen en alle 3 zijn het, ook landelijk gezien, weinig gemelde soorten. Hieronder een beschrijving:

 

Gelige laagjes op rietstengels

Tijdens het kruipen dringt het langzamerhand tot me door, dat er op sommige dode rietstengels  bruingele plakjes zitten. Gerichte aandacht zorgt ervoor dat ik al snel een heleboel rietstengels vind met daarop een stuk of wat ingedroogde gelige tot geelbruine laagjes. Door mijn loep zie ik dat in die laagjes grijsbruine puntjes zitten.

Thuis blijken er onder de grijsbruine puntjes kleine vruchtlichaampjes te zitten met daarin asci met 16 vrij kleurloze sporen. Vast een Hypocrea (Kussentjeszwam). Door Naam & faam  te raadplegen (een handzaam boekje met de namen van de meeste in Nederland voorkomende soorten) kom ik er al snel achter dat er ook werkelijk een Rietkussentjeszwam bestaat. Ik lees in de Ecologische Atlas van Drenthe dat daar de Rietkussentjeszwam 3x gevonden is, echter niet op riet, maar op pitrusstengels. En in Groningen is hij 1x gevonden door Henk Pras, ook op een rus. Wanneer ik ook nog ontdek dat er een Grassenkussentjeszwam (Hypocrea spinulosa) bestaat, besluit ik Eduard Osieck te raadplegen en ik zorg ervoor dat de collectie bij hem terecht komt.

 

 

Via de mail krijg ik uitsluitsel: het is inderdaad de Rietkussentjeszwam, Hypocrea placentula. Deze soort is nog maar een keer of 7 in Nederland gevonden en mijn collectie krijgt zelfs een plekje in herbarium van Eduard. Ik krijg tevens antwoord op mijn vraag of Hypocrea placentula in het veld te herkennen is en wat de verschillen zijn met Hypocrea spinulosa: Hij mailt: Ik zou H. placentula niet zomaar in het veld durven te benoemen. Op z'n minst moet je vaststellen dat het een witspoorder is (H. spinulosa heeft groene sporen), of de stromata geel zijn (en niet oranje) en dat er een directe roodkleuring met KOH plaatsvindt. Zie verder de artikelen van Jaklitsch.

Op internet vind ik nu gemakkelijk het artikel European species of Hypocrea part II: species with hyaline ascospores van Walter M. Jaklitsch,met een determinatie tabel en beschrijvingen van maar liefst 56 soorten. Door de beschrijving van H. placentula op te zoeken vind ik ook een antwoord op de substraatkwestie: de soort groeit op recently dead culms of Juncus effusus, and gramineous and herbaceous plants. Een veel bredere substraatkeuze dus dan de naam Rietkussentjeszwam suggereert.

 

Grootsporig vlieskelkje – Hymenoscyphus suspectus

Op dode stengels van Riet en Fioriengras zie ik vlieskelkjes staan. De volwassen kelkjes zijn wel 4 mm breed en hebben soms stelen die langer zijn dan een cm. Ze lijken op het Wimpersporig vlieskelkje (Hymenoscyphus scutula) maar in het veld kan ik natuurlijk niet vast stellen of dat ook echt zo is, dus gaan ze  mee voor microscopische determinatie. De sporen zien er inderdaad uit zoals die van H. scutula (lange wat gekromde sporen met een taps toelopend en een stomp wat breder uiteinde) maar ik zie geen wimperhaartjes. Bovendien zijn nogal wat sporen minstens 30 µ lang (en dat is langer dan bij het Wimpersporig vlieskelkje vermeld staat) en ook ze zijn soms breder dan 5 µ. Dit moet wel het Grootsporig vlieskelkje (Hymenoscyphus suspectus) zijn, in oudere publicaties ook wel Hymenoscyphus scutula var. suspecta geheten. Deze variëteit wordt dus tegenwoordig als soort beschouwd. Voor zo ver ik kan nagaan is hij nog niet eerder gemeld uit Groningen.

 

 

Rozewit franjekelkje - Albotricha albotestacea

Tussen allerlei stapels riet zie ik een stengel met roze franjekelkjes met een wittig hymenium. Of roze, ik zou de kleur eerder aanduiden als rozewit tot bruinrood. Het hangt er namelijk van af of de kelkjes volledig open zijn of min of meer gesloten, wat voor kleurindruk ze bij me oproepen.

De smalle haren zijn veelvuldig gesepteerd en eindigen in een vrij spitse punt. Op het haaroppervlak zitten soms wat korreltjes. Gemeten sporen grootte: 8-10/1,5-2.

Ik vraag me wel af, hoe het toch kan dat ik dit opvallend mooie franjekelkje niet eerder heb gevonden.  Mijn vondst blijkt zelfs de eerste vondst in Groningen. Natuurlijk, de kelkjes zijn maar net 1 mm, maar ik bekijk tijdens inventarisaties van oeverbegroeiing toch altijd nauwgezet diverse staande en liggende rietstengels. Het zou dus best eens zo kunnen zijn, dat deze soort in Groningen werkelijk zeldzaam is. Ook hier in het riet heb ik tussen al die liggende stengels slechts 1 stengel gezien, waarop ze voorkomen. En dat dan juist ik dat ene stengeltje vind. Volgens mij is dat een combinatie van geluk en vaak op de knieën gaan.

 

 

 

Rookknotszwam (Clavaria fumosa) in Noord Groningen
Tekst en foto: Bert Lanjouw

 

Reeds in 1796 beschreef Christiaan Hendrik Persoon een knotszwam die de naam Clavaria fumosa meekreeg. Inmiddels is de soort in een groot deel van zowel Europa als Noord Amerika gevonden. In Nederland is Rookknotszwam een zeer zeldzame soort van (tamelijk) schraal grasland op zandige bodem.

Op het terrein waar tot 1974 de Steen- en draineerbuizenfabriek Ceres (coördinaten 237-599) stond is in 2014 Rookknotszwam gevonden op een – oorspronkelijk -  met puin (fijn en grof), zand en as verharde bodem. Deze laag is minstens een halve meter dik. Tijdens de afbraak in de winter van 1973/74 is de oorspronkelijk vlakke bodem door zware machines kapot gereden en plaatselijk is afbraakmateriaal (steenpuin) en grond (klei en zand) blijven liggen. Daardoor is er nu een licht reliëf met lage delen die in de winter af en toe plas-dras staan. Dit is toe te schrijven aan de slechte doorlatendheid van de puin en klei bodem; het grondwaterpeil ligt dieper. In de zomer droogt het oppervlak tamelijk sterk uit. Na afbraak van de fabriek is dit terrein gedeelte op natuurlijke wijze begroeid geraakt met grazige ruigte. Na meer dan twintig jaar bodem ontwikkeling konden er ook bomen en struiken kiemen. Na enkele jaren zijn de jonge  bomen en struiken verwijderd en later, omstreeks 2005, is op het gedeelte waar de Rookknotszwam groeit een maai beheer ingesteld. Dit houdt in dat er sindsdien twee keer per jaar is gemaaid (in juni/juli en augustus/september) waarna het maaisel wordt afgevoerd. Er heeft nooit grondbewerking plaatsgevonden noch is het terrein ooit bemest of bekalkt. De ontwikkeling van het bovenste gedeelte van de bodem is inmiddels zover voortgeschreden dat er aan de oppervlakte geen verharding meer aanwezig is. Er zijn veel muizenpaden en –holen te zien evenals molshopen.

De rookknotszwam staat op een hoger gelegen gedeelte in een mosrijke en schrale Glanshaver vegetatie (Arrhenateretum eliatoris luzuletosum campestris). Dit is een vegetatietype dat bij het hierboven omschreven maaibeheer vroeger ook aangetroffen werd op wegbermen in de omgeving. De determinatie is van Henk Huijser. De wat rose kleur wijkt af van wat in de literatuur beschreven wordt maar Henk heeft dit vaker in Nederland waargenomen.

 

 

 

 

Bruinige druppeltrilzwam (Tremella indecorata)
Tekst en mic-foto: Inge Somhorst,  foto: Henk Pras


De paddenstoelenwerkgroep van het IVN Roden was nog niet eerder zo vroeg in het jaar op pad. We bezochten op 3 april het laagveenreservaat de Petten aan de Lauwers. Dit fraaie gebied is al vaker onderzocht, maar nog niet in het voorjaar. Een bezoek in een ander seizoen kan heel verrassend uitpakken en gezien het feit dat deze rubriek gehaald is was dat nu ook het geval. Plaatjeszwammen schitterden door afwezigheid maar er was genoeg klein spul te vinden. Zoals het algemeen voorkomende Wilgenschorsschijfje, zwarte rondachtige schijven van ongeveer een centimeter doorsnee die door de schors van wilgentakken heen breken. Op een zo’n tak vonden we op het Wilgenschorsschijfje  hersenvormige, gelatineuze klompen, bruinig met een paarsrode tint, tot zo’n 1,5 cm in doorsnede. Een trilzwam leek het wel. Iets bijzonders misschien, niemand herkende het geval en er werd uitgebreid gefotografeerd. Terecht, bleek achteraf. In de determinatiesleutels (Hansen & Knudsen, Jülich) leidt de groeiwijze op een andere paddenstoel (hier een pyrenomyceet oftewel kernzwam) naar het geslacht Tremella en vervolgens naar Tremella indecorata, de Bruinige druppeltrilzwam. Deze groeit -waarschijnlijk parasitair- op Diatrype en Eutypa soorten.

 

 

Zoals excursieleider Cees naderhand opmerkte leek het niet nodig de microscoop erbij te halen om deze trilzwam te determineren, dat kan op het substraat. Toch is dat wel verstandig en leuk, er is veel te zien. Bovendien is microscopisch onderzoek voor deze soort verplicht bij invoer in het landelijk bestand. Zonder M gaat het niet door. Op de foto zie je de bolvormige basidia die in 2 of 4 compartimenten verdeelt worden, mooi te zien in bovenaanzicht. Uit elk deel groeit een sterigme en daaruit een vrijwel bolvormige spore. Sporen van trilzwammen hebben de eigenschap te kiemen en secundaire sporen te vormen. Op de sporenfoto linksonder zijn nog 2 smalle gebogen sporen van de gastheer het Wilgenschorsschijfje te zien. Als je dieper de literatuur in duikt blijkt het allemaal minder duidelijk en zijn er verschillende opvattingen over de groep rond Tremella indecorata.

 


De Bruinige trilzwam wordt zeer zelden gemeld in Nederland hoewel het Wilgenschorsschijfje zeer algemeen is in vochtige gebieden. In “Krieglsteiner” wordt vermeld dat de soort in Baden-Württemberg (Duitsland) voornamelijk gevonden wordt van de winter tot juli. Tremella indecorata wordt in dit werk overigens gesynonimiseerd met Tremella candida, de Witte trilzwam (kijk ook eens naar de foto van Tremella indecorata op Verspreidingsatlas). Die vroege verschijning kan een verklaring zijn voor het zeer beperkte aantal meldingen. Of is hij echt erg zeldzaam? Let er eens op komend voorjaar!

 

Literatuur:
Hansen, L. & H. Knudsen 1997. Nordic Macromycetes Vol. 3. Heterobasidioid, Aphyllophoroid and Gasteromycetoid basidiomycetes.
Jülich, W. 1984. Kleine Kryptogamenflora Band IIb/1. Die Nichtblätterpilze, Gallertpilze und Bauchpilze.
Krieglsteiner, G.J. 2000. Die Grosspilze Baden-Württembergs Band 1. Gallert-, Rinden-, Stachel- und Porenpilze.

 

 

Robertskruidkraterbultje  (Coleroa robertiani)
Tekst en foto’s: Kor Raangs

 

Van Inge hoor ik dat Richard Dijkstra begin februari in de Hortus te Haren op Robertskruid een kleine pyrenomyceet heeft gevonden, die met Ellis & Ellis kon worden gedetermineerd als Hormotheca robertiani, een naam die niet in de recentste Standaardlijst blijkt te staan. Ze vertelt me tevens, dat de soort wellicht niet eens zo zeldzaam is, want zij heeft de soort vrij vlot ook zelf kunnen vinden.

Tot het donker werd heb ik die middag zowel in de eigen tuin als in de buurt vele bosjes Robertskruid bekeken, echter zonder positief resultaat.  Twee dagen later, de 19e,  vind ik in een wijkbosje tenslotte toch enkele plantjes waarvan de blaadjes vol zitten met hele kleine zwarte stipjes, die bij gerichte waarneming door hun hoeveelheid nog net de aandacht trekken. Individueel zijn ze slechts ± 0.1 -0.15 mm groot. Bij gebruik van een loep valt op dat de kleine vruchtlichaampjes (pseudothetia) enigszins glimmen en dat ze net onder de opperhuid op wat weefsel vastzitten. Op de site van het Centraalbureau voor Schimmelcultures (http://www.cbs.knaw.nl/publications/1009/content_files/sim9-fig48.jpg) is een schematische tekening te vinden, die een goed beeld geeft.

 

 

Wat ik microscopisch zie, komt goed overeen met de beschrijving en de tekeningen in Ellis & Ellis. Alleen zijn de sporen, die er uitzien als schoenzolen gemiddeld zo’n 1 µ breder (11-13/5-6µ) dan de maten die zij vermelden. De sporen van mijn vondst hebben kennelijk wat last van platvoeten.

 

 

Voor de zekerheid heb ik geprobeerd mijn vondst te determineren met de sleutels van het z.g. Ascomyceten-project. Sleutels, die door iedere belangstellende gedownload mogen worden. http://www.allesoverpaddenstoelen.nl/Aop2_Ascoproject.html. Via de Startsleutel/SleutelA en SleutelA11 van de groep van de Wankelspoorders (Apiosporae) met geslachten waarbij de sporen één duidelijk excentrisch geplaatste septe hebben, kom ik tenslotte bij het geslacht Coleroa (Kraterbultjes). En zo ontdek ik dat deze soort op Robertskruid ook Coleroa robertiani heet. Onder die naam staat hij wel in de Standaardlijst. De soort is, zoals al door Inge werd verondersteld met 61 stippen niet erg zeldzaam in Nederland. En ook niet nieuw voor Groningen want er staat een stip in de buurt van Mussel. (http://www.verspreidingsatlas.nl/0779010)

 

Inmiddels is het eind maart. Inge heeft de soort ondertussen in minstens 7 hokken gevonden zowel in hokken op zandige bodem, als ook op de klei. Zelf heb ik dit Kraterbultje uiteindelijk, op 28 maart ook in de eigen tuin gevonden, waarbij de vraag onbeantwoord blijft of ik in februari niet goed genoeg heb gekeken of dat de soort daar nu pas is verschenen. De periodiciteit van de soort is voor mij ook nog wat onduidelijk. In E&E staat dat hij voorkomt van mei-september, maar Munk meldt in Danish pyromycetes dat de soort bijna het gehele jaar door is waar te nemen. En dat lijkt gezien onze vondsten meer aannemelijk.

Ik heb nog te weinig materiaal gezien om te kunnen bepalen of de soort vooral op oudere rood aangelopen bladeren zit of op alle bladeren van Robertskruid (Geranium robertianum). In mijn tuin groeide de soort op tamelijk verse groene bladeren. Het zal mij niet verbazen als het Kraterbultje (een biotrofe parasiet) zelf de bladeren zo aantast dat ze er oud en rood aangelopen uit gaan zien.

 

Voor wie het Robertskruidkraterbultje in Groningen waarneemt, schroom niet de vondst te melden (groningen@paddestoelenkartering.nl