Vondsten 2016

De Grootsporige schelpjesmolenaar

tekst en foto’s: Kor Raangs

 

Half november. Ik zit in de auto en heb net de Eemshavenweg verlaten via de afrit noordelijk van Zuidwolde. Mijn aandacht wordt getrokken door de essen langs de weg. Op sommige stammen groeien donker gekleurde houtzwammen (figuur 1 links). Ruige weerschijnzwammen (Inonotus hispidus) veronderstel ik. Dat ik ze al vanuit de auto denk te herkennen komt omdat ik, getipt door Inge, begin augustus Ruige weerschijnzwammen heb gefotografeerd bij Adorp, ook op Es (figuur 1 rechts). Om mijn veronderstelling te verifiëren, zet ik de auto toch maar even in de berm. Er staan minstens 5 Essen met oud en donker geworden Ruige weerschijnzwammen. Bij een van die Essen ligt een afgevallen vruchtlichaam op de grond. Ik neem tenminste aan dat het is afgevallen, want Weerschijnzwammen zijn eenjarig, maar het zou er natuurlijk ook afgeslagen kunnen zijn.  Als ik het opraap, zie ik dat er kleine schelpvormige paddenstoeltjes op groeien, die op het eerste gezicht het meest op Oorzwammetjes (Crepidotus spec.) lijken. Ik neem ter plekke wat foto’s en leg de brok Weerschijnzwam in de auto voor microscopisch onderzoek.

 

 

Aan sporen, die met een uiteinde naar boven wijzen zie ik dat ze een veelhoekige vorm hebben. En met moeite zie ik daarna lengteribbels bij sommige platliggende sporen. Het zijn geen Oorzwammetjes, maar vruchtlichamen  van de Schelpjesmolenaar.  En wat me bij het de grauwe novemberlicht niet was opgevallen zie ik wanneer ik de gemaakte foto’s bekijk,  de lamellen van sommige schelpjes hebben een bruin-roze kleurzweem (figuur 3 onderaan). En dat klopt met de determinatie Schelpjesmolenaar, want de soorten van het geslacht Clitopilus  hebben roze sporen. Nu zijn er zijn 2 soorten, de Gewone schelpjesmolenaar (Clitopilus hobsonii) en de Grootsporige schelpjesmolenaar (Clitopilus daamsii). De Gewone schelpjesmolenaar heb ik al een stuk of wat keren gevonden en het beeld wat ik van die soort heb, namelijk wat grotere vruchtlichamen, veel blekere lamellen en groeiend op dood loofhout en/of op ander plantaardig materiaal klopt niet met dan wat ik nu heb gevonden. Zou dit dan de Grootsporige schelpjesmolenaar zijn? Die lijkt een voorkeur te hebben voor oude Gaatjeszwammen en heeft grotere sporen dan de Gewone schelpjesmolenaar. De maten die ik meet zijn 7,5-11.2 x 5-6 µm en met de tabellen in de FAN en in Funga Nordica kom ik dan inderdaad uit op de Grootsporige schelpjesmolenaar. De Gewone schelpjesmolenaar heeft sporen van 7-9 x 5-6 µm.

 

 

Ik neem dus eerst maar aan dat ik de Grootsporige schelpjesmolenaar  heb gevonden al blijven er twijfels. Funga Nordica meldt nog dat de lamellen van de Grootsporige schelpjesmolenaar vaak gevorkt zijn, maar ik zie slechts bij een schelpje een gevorkte lamel (zie afbeelding 3). Wat dagen later lees ik dat de schelpjes fruitig geuren bij wrijving. Dat heb ik helaas niet kunnen constateren, omdat de overgebleven exemplaren ondertussen gedroogd waren. Maar de brok Weerschijnzwam ligt nog in de tuin, dus wie weet komen er opnieuw vruchtlichaampjes op, zodat ik de geur alsnog kan bepalen.

 

 

Wie het kleine niet eert...

Foto’s Henk Pras, tekeningen Bernhard de Vries

 

Henk is afgelopen seizoen weer enthousiast bezig geweest met kleine ascomyceten. Dit leidde tot een aantal nieuwe soorten voor Nederland! Twee ervan worden hier afgebeeld.

 

Tijdens een MWG excursie in de buurt van Jipsinghuizen op 25 september vonden we op dode gagelblaadjes in de strooisellaag deze hele kleine witte schijfjes. Henk heeft zich erover ontfermd en samen met Bernhard de Vries en Stip Helleman kwamen ze tot de conclusie dat het hier gaat om een bleek kerriekelkje dat luistert naar de naam Phialina lachnobrachioides.

 

 

En tijdens een excursie van de KNNV Oost Groningen op 6 november naar het Blijhamsterbos werd een beukentak gevonden die geheel overgroeid was met een zwarte kernzwam. De tak was dicht bezet met uit het hout opgerezen zwarte stromata met een opvallend gestekeld oppervlak. De tak ging mee naar huis en Henk determineerde de kernzwam als Melogramma spiniferum. Bernhard de Vries heeft het materiaal gecontroleerd en maakte er een mooie tekening van.

 

 

 

 

Een zachte schoonheid: Ceriporia aurantiocarnescens

Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Tijdens de excursie van het IVN Roden op 7 oktober naar Waterhuizen verzamelde ik in een ruig vochtig bosje een wasporia die groeide op een vochtig en rot stuk loofhout (afbeelding 1). Wasporia’s zijn gaatjeszwammen met een zachte struktuur en vaak een gekleurd vruchtlichaam. Het meest opvallende aan deze vondst was de prachtige kleur van het verse vruchtlichaam, het best te omschrijven als zalmkleurig met iets geel, met een zacht bleekgele randzone. Bij kneuzen werd het materiaal donkerder zalm-oranje. Spannend, hoewel wasporia’s erom bekend staan nogal variabel te zijn in hun kleur.

 

 

Eerst maar eens kijken naar de sporen, is het niet toch de Paarse wasporia? Maar nee, daarvoor zijn de sporen veel te klein. Tijd om er een sleutel bij te nemen (Pieri & Rivoire, 1997). Er zijn ongeveer 5 gaatjes per mm (best te meten onder de binoculair) en de verkleuring met KOH zit tussen purper en violet (afbeelding 1, rechts). De sporen meten 3.2 – 4 (4.4) x 1.5 – 1.8 (-2). Daarmee kom je vrijwel direct op het koppel C. aurantiocarnescens/C. viridans (Groenige wasporia). De kleur van het verse vruchtlichaam, de kleine sporen en de naar violet neigende KOH reactie wijzen op C. aurantiocarnescens. Toch kan ook C. viridans volgens de literatuur wel eens zalmkleurig zijn, en de sporen zijn weliswaar klein, maar iets aan de smalle kant voor C. aurantiocarnescens. Het was dan ook spannend hoe het materiaal zou opdrogen, dat zou een extra indicatie kunnen zijn. Tijdens het opdrogen verschenen steeds meer paarstinten, en ook dat duidt op C. aurantiocarnescens (afbeelding 2 gedroogd materiaal).

 


Nog was ik niet helemaal overtuigd van de naam, want het kan het niet zijn dat de drie kenmerken die over de kleur gaan (vers, droog en KOHreactie) een gemeenschappelijke oorzaak hebben en in onderscheid met C. viridans beter als 1 kenmerk gezien kunnen worden? Ik heb het materiaal aan Eduard Oscieck gegeven om ook eens te bekijken. Hij komt (ook) tot de conclusie dat het hier gaat om Ceriporia aurantiocarnescens. De kleine sporen in combinatie met de kleur van het verse vruchtlichaam geven de doorslag. De foto in Ryvarden en Melo lijkt sprekend. In een recent artikel (Spirin et al., 2016) wordt – op grond van moleculair werk – bevestigd dat C. viridans en C. aurantiocarnescens twee verschillende soorten zijn.

 

literatuur:

Pieri, M. & Rivoire, B. 1997. A propos de genre Ceriporia Donk (Aphyllophoromycetidae). Bull. Soc. Mycol. France 113: 193-250

Ryvarden, L. & Melo, I. 2014. Poroid fungi of Europe. Fungiflora, Oslo.

Spirin, V. et al., 2016. Studies in the Ceriporia purpurea groups (Polyporales, Basidiomycota), with notes on similar Ceriporia species. Cryptogamie, Mycologie, 37(4): 421 – 435, doi/10.7872/crym/v37.iss4.2016.421

 

 

Een nieuwe Kogelzwam: Hypoxylon ticinense

Tekst en foto’s: Inge Somhorst

 

Op 22 juli vond ik tijdens een inventarisatie in een dicht vochtig loofbosje op de klei aan de noordkant van de stad een dode tak, hangend in de dichte vegetatie, een kleine meter boven de grond met op de onderzijde een spetterende ... ja wat eigenlijk? roodbruine cirkels die in het midden wat verdikt zijn overlopend in een brede gele randzone (foto 1). Eén keer had ik zoiets eerder gezien, in de Lauwersmeer, toen Mirjam Veerkamp 2 jaar geleden Hypoxylon subticinense vond, zou dit het ook zijn?

 

 

Het materiaal was niet rijp dus heb ik de helft van de tak mee naar huis genomen en op een vochtige plek onder een boom gelegd, iets van de grond af met de vruchtlichamen naar beneden. Half augustus werd het geel minder maar nog geen asci en sporen te zien. Nu, nog een maand later, is nauwelijks nog iets zichtbaar van de gele rand, maar in het roodbruine zijn minuscule witte vlekjes te zien met daarin een – nog kleiner - zwart puntje, de ostiole, de opening waar doorheen de sporen naar buiten kunnen (foto 2 boven). Op de dwarsdoorsnede (foto 2 rechtsonder) zie je dat elke opening bij een afzonderlijk vruchtlichaampje hoort, de zwarte kuiltjes in de bovenste laag (maatstreepje = 1mm). De sporen meten 6-7 mu x 2,8-3,5 en zijn daarmee te klein voor H. subticinense. De sleutel http://pyrenomycetes.free.fr/hypoxylon/keydir/dichotomickey.htm leidt naar H. ticinense, een soort die er macroscopisch erg op lijkt. De sporen van deze soort zijn kleiner en bij deze soort laat in 10% KOH de buitenste laag van de sporenwand los, hier goed te zien (foto 2 linksonder, 10 maatstreepjes = 8 mu)). Eduard Osieck heeft het materiaal gecontroleerd en komt tot dezelfde conclusie. Voor zover we na konden gaan is deze soort niet eerder uit Nederland gemeld. Een feestje, deze paddenstoel, zeker in het jeugdige stadium!

 

 

 

Lactocollybia variicystis

Tekst: Willie Riemsma, foto’s: Willie Riemsma (1) en Inge Somhorst (2)

Tot mijn verbazing en verrassing ontdekte ik in een pot met een uitgebloeide orchidee een drietal paddenstoeltjes, ongeveer 1 cm in doorsnee en ‘witachtig’. Ze groeiden op de houtsnippers die als vulling dienen. Er waren nog meerdere kleine exemplaren aanwezig. Ik had de plant teveel water gegeven, waardoor de snippers nat waren.

 

 

 

Ik heb de pot meegenomen naar de plantenexcursie in Bourtange en daar aan een altijd enthousiaste Inge gegeven. De volgende dag kreeg ik een reactie van Inge met de volgende tekst:

Nou dat is me wat! Ik wilde nog even in een half uurtje jouw zwammetje doen. Wat zie ik allemaal? Ik snapte er geen biet van tot ik me een artikeltje in Coolia herinnerde van Luciën Rommelaars: Tropische verrassing in een orchideeënbloempot, Lactocollybia variicystis. De sporen lijken aan de kleine kant, maar hij is het vast. Hij ligt op de droger, ik ga later in de week beter kijken en probeer de kleintjes nog op te kweken. Errug leuk!!

Het is Inge gelukt om een aantal kleintjes op te kweken en ze is tot de conclusie gekomen dat het inderdaad om Lactocollybia variicystis gaat (nog geen nederlandse naam).

 

 

Ik heb bij de bloemist navraag gedaan naar de herkomst van de houtsnippers. Hij verwees mij naar Reinhardt orchideeën. Daar wisten ze mij te vertellen dat de snippers meestal afkomstig zijn uit Taiwan of elders in Zuidoost Azië. Ze worden gemaakt van de schors van een den waar geen hars in zit.

 

http://www.mycologen.nl/Coolia/PDF-files/Coolia57-2pp79-82_Rommelaars_Lactocollybia_variicystis.pdf.

 

 

Paddenstoelen houden wél van pitrus
Tekst: Inge Somhorst, foto’s: Kor Raangs (1, 3, 4, 6) en Inge Somhorst (2, 5)

 

Pitrusvelden behoren zacht gezegd niet de meest geliefde milieus van veel mycologen. Toch is dat niet helemaal terecht. Diverse paddenstoelen lusten wel pap van levende of dode stengels. In het vroege voorjaar vind je het bekende Russenknolkelkje en het Pitrusfranjekelkje, maar wie in deze heerlijke hollandse zomer door zijn of haar knieën gaat kan zich laten verrassen. Vooral plekken met oude dicht opeenstaande pollen en veel liggende dode stengels zijn favoriet. Bij het doorsteken van zo’n veld in de buurt van Haren – met een aanlokkelijker milieu als doel - viel ons oog op een klein inktzwammetje. Maar één, da’s erg weinig, dus gingen we op zoek naar meer...

 

 

Het meest algemeen blijkt de Oranje grastaailing (Marasmius curreyi) te zijn, die in weerwil van zijn naam ook dode pitrusstengels niet blijkt te versmaden. Ze groeien vooral op vlak bij de grond liggende stengels. Helemaal op de grond, waar het vrijwel altijd vochtig is groeien Oranjegele trechtertjes (Rickenella fibula) tussen het mos. Een andere algemeen aanwezige pitrusbewoner is het Schelpkaalkopje (Deconica philipsii), dat ook wel iets hoger in de dode stengelmassa te vinden is. Een herkenbaar paddenstoeltje in dit milieu door zijn vorm - schelp- tot niervormig met een klein steeltje -, bleek rozebruine kleur van hoed, bleekbruine lamellen en een wat gerimpeld, vaak in het centrum behaard hoedoppervlak.

 

 

En natuurlijk in het pitrusveld de Biezenmycena (Mycena bulbosa). Een prachtig klein bleekgrijs mycenaatje met een verdikt gevoord voetje en een afstroopbare hoedhuid. Je vindt ze vooral als je naar het centrum van een pitruspol graaft.

 

 

 

Kleine, witte, aan de buitenzijde behaarde kommetjes die dicht gedrongen op een dun wit matje op al flink verteerde stengelresten groeien stellen ons aanvankelijk voor een raadsel. Ze doen aan een cyphella denken: zo’n kleine basidiomyceet die behoorlijk op een bekerzwammetje (ascomyceet) kan lijken. Net iets groter, net iets behaarder, en soms lijkt er een klein plooitje in het hymenium te ontstaan. Onder de microscoop blijken de haren in een knopje uit te lopen (zie foto), het is het Knophaarschelpje (Cellypha goldbachii).

 

 

Nog een klein wit paddenstoeltje, deze keer weer met lamellen en met een kort gekromd steeltje. Een mycena of hemimycena? Het kleine vruchtlichaampje van ongeveer een halve centimeter zit met een paar schimmeldraden op de pitrusstengel (niet zo) vastgehecht, voor je het weet is het er af gevallen. We weten er 4 te vinden en de laatste blijkt roze lamellen te hebben! Een satijnzwammetje dus, en wel uit het groepje kleintjes met excentrisch geplaatst steeltje. De hoed is behaard en de lamellen lopen af en zijn soms gevorkt. Gezien het uiterlijk en het milieu zou het om de Zeggesatijnzwam (Entoloma albotomentosum) kunnen gaan, maar niet alle microscopische kenmerken zijn daarmee in overeenstemming Eén vruchtlichaampje is bemonsterd voor moleculair onderzoek. Wellicht kan het helpen dit lastige groepje satijnzwammen te ontrafelen (zie ook de pagina vondsten 2013, Entoloma jahnii).

 

 

En als laatste misschien wel de meest fotogenieke: de Zeggemycena (Resinomycena saccharifera). Zijn wetenschappelijke geslachtsnaam dankt hij aan zijn berijpte hoedje en steeltje. Het onderaanzicht is een plaatje: dicht opeenstaande, net niet witte vruchtlichaampjes met wijd uiteenstaande breed aangehechte lamellen, soms loslatend als een kraagje, de berijpte steel en met wat geluk de net zichtbare berijping langs de hoedrand.

 

 

U begrijpt, wij hebben genoten in het pitrusveld. Het inktzwammetje waar het mee begon – en waar het bij 1 vruchtlichaam is gebleven - is de Bleke halminktzwam (Coprinopsis friesii). Bovenstaande is de oogst van een uurtje speuren maar er valt ongetwijfeld nog veel meer te ontdekken. Ga ook eens door de knieën in een pitrusveld en laat je verrassen. We zijn benieuwd naar jullie vondsten!

 

Zes kleine ascomyceten op overjarige Fluitenkruidstengels

Tekst en foto’s: Kor Raangs

 

Het is midden mei en het fluitenkruid staat uitbundig  te bloeien. Nu valt op, hoe massaal deze plant voorkomt in de bermen en de bossen op de klei in de provincie Groningen.

 

 

 

Nu is het ook gemakkelijk om naar oude stengels van Fluitenkruid te zoeken. Die liggen onder en tussen de bloeiende planten in het strooisel. In wegbermen heb ik wel eens tevergeefs gezocht, maar langs bospaden en bosranden (vaak geen maaibeheer!) kan met gemak snel een stapeltje oude stengels gevonden worden. En vooral als ze enigszins vochtig zijn, is de kans groot dat er op bijna al die stengels een of meer ascomyceten te zien zijn. Wel goed kijken, want deze paddenstoeltjes zijn soms kleiner dan een millimeter.

De meeste soorten heb ik regelmatig gevonden. Alleen de laatste soort heb ik maar op 1 stengel aangetroffen in een berm oostelijk van Ganzendijk. Hieronder de foto’s

 

1. Trichopeziza mollissima – Fraai franjekelkje

 

 

 

2. Crocicreas cyathoideum – Gewoon geleikelkje

 

 

 

3. Pirottaea nigrostriata – Bruinhaarkommetje

 

 

 

4. Leptospora rubella – Purperrood inktpuntje

 

 

 

5. Cistella grevellei – Plat rijpkelkje

 

 

 

6.Urceolella crispula - Tangentiaal piekhaarkelkje

 

 

 

Cedergrondbekerzwam (Geopora sumneriana)
Vondst Richard Dijkstra, tekst en foto’s: Kor Raangs

 

Sinds 2011, het beginjaar van een nieuwe inventarisatieronde van de MWG in Groningen, wil ik graag de Cedergrondbekerzwam vinden. Er staat in de NMV Verspreidingsatlas nog geen enkele stip in de drie noordelijke provincies (de meeste vondsten worden gemeld vanuit Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht) maar ik ga er vanuit dat de soort toch in Groningen te vinden moet zijn. Hier zijn immers ook tuinen en parken genoeg met een of meer ceders. Dus heb ik dit voorjaar al weer bij diverse ceders in tuinen en op kerkhoven gezocht, maar nog steeds zonder resultaat.

En dan zie ik op maandag 11 april bij de mail het berichtje, dat Richard Dijkstra hem zondag heeft gevonden op de RK-begraafplaats aan de Papiermolenlaan in een schraal gazon onder Cedrus atlantica ‘Glauca’. Eigenlijk wil ik er dadelijk wel heen, maar pas woensdag heb ik er tijd voor.

 

Niet ver van de ingang zie ik een forse Atlasceder staan op de overgang tussen een gazon en een pad met kiezelstenen. Ik loop over de kiezelstenen naar het gazon en vind bij een grote bloembak twee vruchtlichamen, die al wat op leeftijd zijn. Eindelijk, Cedergrondbekerzwammen. En ze staan, naar ik later verneem van Richard ook nog eens tussen Halvemaantjesmos (Lunularia cruciata), in Groningen een zeldzame soort met slechts 5 stippen op de Verspreidingsatlas.

Er blijken in het kiezelpad ook exemplaren staan. Door met stokjes de groeiplekken te markeren, want de bekers vallen nauwelijks op tussen de kiezels kan ik uiteindelijk vaststellen dat het er 21 zijn. Een deel is al (bijna) over de datum, maar er groeien ook enkele jonge, die zich nog niet (geheel) hebben uitgespreid. Zo krijg ik toch een aardige indruk van de groeiwijze.

 

 

 

In het Overzicht van de Nederlandse paddenstoelen van Nederland van 1995 staat bij de levenswijze van de Cedergrondbekerzwam o.a. vermeld, sapotroof, op deels verteerde naalden op humusarme grond onder Ceder. In de nieuwe Standaardlijst uit 2013 is deze ecocode echter veranderd in EM (Ectomycorrhiza vormend). Voor wie hier meer over wil lezen, zie Voorjaarspaddestoelen in tuinen van F.A. van den Bergh, Coolia 42(1): 38-41 en Ectomycorrhizavormende ascomyceten van Thomas W. Kuyper, Coolia 50(4): 171–176 (zie http://www.mycologen.nl bij publicaties)

Thuis heb ik het meegenomen exemplaar toch even microscopisch bekeken. Omdat er in Pezizales deel II van Maas Geesteranus (Wetensch. Meded. KNNV nr. 80) zulke mooie tekeningen bij de microscopisch beschrijvingen staan, pak ik dit boekwerkje uit 1969 erbij. Over de haren, die aan de buitenkant van de beker zitten lees ik: haren min of meer dicht met kristallen bezet, vertakt, zijtakken zich soms om andere haren heen strengelend. Bij een vergroting van 400x kan ik dat al prima zien (zie foto verderop). De sporen zijn echter duidelijk kleiner dan de maten die Maas Geesteranus vermeldt. De door mij gemeten maten (30-32 x 14) passen wel binnen de bandbreedte van wat in andere werken, bijv. in Nordic Macromycetes Vol 1 wordt aangeven: 30-37 x 14-16.

 

 

 

 

Een medewerker van het kerkhof vertelt me, dat de bekers ook in eerdere jaren al onder deze Ceder zijn gezien. Het zou dus maar zo kunnen, dat er meer bekende, maar niet bij de MWG gemelde groeiplekken in Groningen van de Cedergrondbekerzwam zijn. Wie meldt nog dit jaar een groeiplek van de Cedergrondbekerzwam in Groningen? Het kan nog! De Nederlandse waarnemingen van deze soort zijn gedaan tussen 23 januari en 15 mei.