Vondsten 2017

Mycena's in de mist
Tekst en foto's: Inge Somhorst 

Eind november, onze laatste inventarisatiedag van het jaar. De weersvoorspellingen zijn ongunstig voor de komende tijd en Kor Raangs en ik willen deze koude dag de laatste “groene hokken doen”. Op naar de Dollard. Ons doel was niet de zeedijk, maar een landbouwhok waar we 11 soorten gingen proberen te vinden. Onder dekking van de mist waagden we ons op een oude dijk die tussen de akkers ligt. Het eerste stuk was veel te rijk en vertrapt door koeien; er stond niets. Gaandeweg werd het echter schraler, en juist een halve meter onder de kruin van de dijk in een schralere zone stonden zowaar Sneeuwzwammetjes. En na enig zoeken zelfs een aardtongetje. Iets verder raapten we enkele exemplaren van een vreemde mycena op. Het leek wat op de Grijze mycena met aflopende lamellen maar grijs was hij niet, de voor deze soort zo typische meelgeur ontbrak en een bos was ver te zoeken. Was het wel een Mycena? Kor vond dat hij wel wat weg had van Mycena picta, de Tonnetjesmycena, maar ja, de lamellen waren boogvormig en niet recht zoals bij die soort. Voorzichtig meegenomen, het materiaal was niet al te best meer, en thuis onder de microscoop. Mycena’s zijn onder de mic prachtig, er is van alles aan te zien. Lamel, hoedhuid, steel, alle onderdelen hebben structuren die het bekijken meer dan waard zijn. De cheilocystiden met vrij forse en zeer kronkelige uitsteeksels (foto rechts), de 2-sporige basidiën (foto midden) en de vorm en uitsteeksels van hoed- en steelhyfen leiden tesamen met de opvallende vorm van de lamellen (foto links) naar Mycena pseudopicta, de Kalkgraslandmycena. Het is een heel zeldzame soort, Verspreidingsatlas toont twee waarnemingen uit de jaren ’70 bij Oostvoorne en in Zuid Limburg, en 3 recentere uit Zeeland (2011 en 2016) van een grasland op een recreatieterrein bij de Grevelingendam en uit de duinen bij Neeltje Jans en de Kaloot. In de literatuur wordt een voorkeur aangegeven voor open, droge, en kalkrijke plekken wat goed overeenkomt met onze vindplaats. De Kalkgraslandmycena staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst. De 11 soorten zijn overtuigend gehaald.

 

Verrassing op de dijk
Vondst: Leo de Vries, foto: Henk Pras 

Op 6 november bezocht de MWG excursie in de middag de Dollarddijken achter Woldendorp. Vanwege andere bezigheden had inmiddels de helft van de excursiegangers ons verlaten en dat was jammer, gezien het volgende. De dijken zelf waren juist gemaaid en er stond vrijwel niets, maar de taluds naar de kwelsloot waren wél interessant. Het werd een feestje met (stinkende) wasplaatjes, aardtongen en knotszwammen, maar het meest bijzonder was de vondst van Leo van een groepje ieniemienie bleekroze sliertjes tussen het deels afgestorven gras. Op de foto kun je zien hoe slank ze zijn als je ze vergelijkt met de grasblaadjes. Het waren knotsjes waarbij het bovenste -fertiele- deel duidelijk dikker was dan de draaddunne lang steel. Het was lastig te bepalen waarop ze nu eigenlijk groeiden, dood of levend gras, blad, stengel of wortel. Maar een naam was wel voorhanden, want het was voor Inge een weerzien met een oude bekende, die ze 5 jaar geleden tijdens een Cristella weekend had leren kennen. Het is het Roze grasknotsje Typhula incarnata, een parasiet op grassen. De knotsjes groeien vanuit een sclerotium in de grond, geen wonder dus dat we niet goed konden vaststellen waar ze nu precies op groeiden, de sclerotia hebben we niet gevonden. Het is een heel weinig gemelde soort die als ernstig bedreigd op de Rode Lijst staat en dit was de eerste keer dat hij in Groningen gevonden is.

 

 

De Fijnschubbige aardtong in Oosterhaar
Tekst en foto's: Henny Klein

Zo’n 20-25 jaar geleden gingen de venige weilanden ten oosten van de Klaverlaan in Haren op de schop en ontstond een nieuwe woonwijk. Een oude boerderij bleef behouden. Aan de grasrand van de singel om die boerderij (nu de Bongerd, was die er al?) lijkt bij de herinrichting bijzondere aandacht geschonken te zijn, want al vrij snel viel de begroeiing op: er kwamen aparte bolgewasjes op en jaarlijks zagen we meer Riet- of Brede orchissen tussen Grote ratelaar. En nu komen de paddenstoelen: vorig jaar zag ik er een enkele vruchtlichamen van de Zwartwordende wasplaat (Hygrocybe conica), dit jaar verschenen er al twee grote groepen. En deze week, op 1 november, werd ik echt verrast: van de Zwartwordende wasplaat was inmiddels weinig over maar ik zag: een Vuurzwammetje (Hygrocybe miniata), gele wasplaatjes (waarschijnlijk Elfenwasplaat Hygrocybe ceracea) en …. een hele massa aardtongen! 

Die laatsten intrigeerden me, zou ik die op naam kunnen brengen? Ze zijn zwartbruin, 6-8 cm en de steel is duidelijk geschubt en er is een duidelijke grens tussen hoed en steel. Volgens de Veldgids is de mic nodig om deze aardtongen uit kunnen sleutelen. Op de NMV-site vond ik de prachtig geïllustreerde publicatie AARDTONGEN IN DE DUINEN VAN NOORD-KENNEMERLAND 2005 T/M 2008 van Kees Roobeek, met een (voorlopige) determinatietabel, en ging met de mic aan de slag.

Een sporee maken vond ik al spannend, want sommige aardtongen hebben doorzichtige sporen, las ik. Op het oog was er eigenlijk niets te zien op mijn objectglaasje maar met wat water onder de mic wel, hoera! Deels doorzichtige, deels grijzige sporen. De sporen waren lang en dun, zonder septen (foto rechtsboven rechts). Met de schubjes op de steel blijven er dan nog twee over: Geoglossum elongatum en G. fallax. Sporen metend kwam ik op 80-100 µm: dit moet Geoglossum fallax zijn, de Fijnschubbige aardtong. Zou ik ook nog iets van het hymenium kunnen zien? Jawel, met wat gepruts kreeg ik een stukje te zien en vond slanke, gekromde doorzichtige parafysen met een eindknop (foto rechtsonder) en – heel kenmerkend volgens Kees Roobeek - asci met donkere sporen met 9 septen, een gesepteerde spore is te zien op de foto rechtsboven, links; een deel van de ascus op de foto uiterst rechtsonder. Onderneming geslaagd!

 

Over knotsjes en knolletjes
Tekst en foto links: Inge Somhorst, foto rechts: Kor Raangs 

Op excursie tijdens de binnenlandse werkweek in Scheemda naar de Marnewaard. Het seizoen was goed geweest maar nu, eind oktober, behoorlijk ingezakt. De kruipwilgstruwelen waarvoor we kwamen vielen tegen en er was nog tijd voor een stukje loofbos. Op het eerste gezicht leek er weinig te staan maar zoeken in de strooisellaag bleek een succesvolle strategie. Er kwam een klein oranjegeel knotsje te voorschijn, een kapje op een steeltje, toch niet echt als een knotszwam. Huh, wat zou dat zijn? Ik liet het zien aan de andere excursiegangers en dat was niet tevergeefs. Mirjam Veerkamp herkende het als een zwammetje dat ze jaren eerder in de Flevopolders had gevonden: Heyderia sclerotipus, het Knolmijtertje. Heyderia, die kende ik wel van sparrenbossen in het buitenland, inderdaad had deze een vergelijkbare vorm, maar een andere - en veel mooiere! - kleur. En sclerotipus... aan de basis van het steeltje zat een klein bruin lensachtig knolletje. Terug naar de vindplek, na even zoeken vonden we er nog één en nog één... al snel kropen we met ons allen over de bosbodem en verzamelden er tientallen, bijna allemaal met zo’n plat knolletje. Terug in de herberg zocht Marjo Dam in de literatuur en kwam met nog een verrassing: het knolletje aan de steelbasis is geen sclerotium van de Heyderia, het is het linsje van het Linzenknotsje waarop het Knolmijtertje parasiteert.

  

 

Een wenssoort van de Europese Rode lijst onverwacht gevonden

Tekst en foto's: Kor Raangs

 

Een enkele keer gebeurt het me, dat ik een soort, die ik in het veld nog nooit heb gezien, toch dadelijk herken. Het betreft dan meestal een z.g. wenssoort van mij, een soort die ik heel graag wil vinden en waarvan ik afbeeldingen in het geheugen heb geprent. 


Eind augustus bezoeken Inge Somhorst en ik op advies van SBB-boswachter Jasper Schut z.g. Nat schraalland (*1) in het Westerkwartier (Foto 1). We zien in de begroeiing wat Dotterbloemen staan, er zijn plekjes met Holpijp en Kale jonker, er groeit op nattere plekken Moerasstruisgras en we ontdekken wat plukjes met Zegge, o.a. Tweerijige zegge en Blauwe zegge. Dan geheel onverwacht zie ik een exemplaar van een van mijn wenssoorten, de Moerashoningzwam  (Armillaria ectypa). Bij allesoverpaddenstoelen.nl is hij in juni in het zonnetje gezet als soort van de maand en met de foto’s van Emma van den Dool bij dat item nog vrij vers in het geheugen, herken ik deze slanke honingzwam zonder ring meteen. Voor de zekerheid heeft Inge de vondst natuurlijk nog wel microscopisch gecontroleerd. Omdat ik dacht, dat ik hem vooral moest zoeken in veenmosrietlanden en andere laagveengebiedjes met veenmos (op Emma’s foto’s is hij ook steeds gefotografeerd op plekken met veenmos) ben ik wel verbaasd hem hier te zien groeien op een grazig plekje met Haakmos (foto 2) (*2)  

Door goed te speuren - ze groeien vnl. solitair en zijn soms lager dan de omringende begroeiing- vinden Inge en ik totaal zo’n 15 exemplaren. De meeste zijn, net als de eerste al wat ouder, maar we vinden gelukkig ook nog enkele verse(re) exemplaren (combifoto 3).

We hebben Staatsbosbeheer gemeld, dat dit nat schraalland mycologisch gezien erg interessant is. Natuurlijk met name omdat we daar een nieuwe paddenstoelensoort  voor Groningen hebben gevonden, die als gevoelig op de Europese Rode lijst staat (*3), maar ook omdat we daar 5 soorten wasplaten hebben gevonden. Zelf heb ik van het Broos vuurzwammetje (Hygrocybe helobia) nog niet eerder zo’n rijke groeiplek gezien.

 

 

*1 OBN181_DZ_paddenstoelen_in_het_natuurbeheer___deel_II.pdf, hoofdstuk 10.

*2 In dezelfde PDF als bij *1 wordt op blz.109 gemeld, dat de Moerashoningzwam in ons land ook is waargenomen in blauwgrasland.

 *3http://www.iucnredlist.org/details/75097245/0

 

 

Een schijfzwam op Gewone es

Tekst en foto’s 1 en 2: Kor Raangs, foto 3: Henk Pras

Tijdens de eerste voorjaarsexcursie op 5 maart zijn 98 soorten gevonden, waaronder enkele voor Groningen nieuwe soorten. Hieronder het verhaal van een daarvan.

Vindplaats het Beijumerbos, in een deel waar nogal wat essen staan die aan de z.g. essenziekte zijn gestorven. Op een bemoste dode stam wordt een groepje kom-, schotel- en schijfvormige vruchtlichaampjes ontdekt met een grijze korrelige buitenkant en een zwartig hymenium met soms een vaagbruine kleurzweem (foto 1, 2). Even vraag ik me af of de schijfjes niet onderdeel zijn van een van de korstmossen, ook op de stammen aanwezig.  Maar als het zelfde type vruchtlichaampjes even later op soms bijna kale stammen wordt aangetroffen, is duidelijk dat dit schijfje een zelfstandig groeiende ascomyceet is. Alleen weet niemand van de tien deelnemers hoe de soort heet. Wel komen we er bij nadere inspectie achter dat de schijfjes hier op meer dode stammen staan, maar dat ze zich deels aan het zicht onttrekken doordat ze zich ontwikkelen onder de dunne schors, waar ze tenslotte groepsgewijs door heen breken (foto 3).

 

 

 

 

’s Avonds ga ik als eerste aan de slag met de zwarte kommetjes. Ik wil natuurlijk de juiste naam kunnen zetten bij de vele foto’s die ik heb gemaakt. Nu heb ik in het veld gehoord, dat Henk Pras de naam Encoelia liet vallen, het geslacht Schijfzwammen (met als bekendste soort Encoelia furfuracea, de Hazelaarschijfzwam). En met die opmerking in gedachten wordt het determineren een makkie. In Pilze der Schweiz I staan twee soorten Encoelia’s afgebeeld en de foto van Encoelia fascicularis lijkt goed op onze vondsten en de microscopische kenmerken komen zelfs heel goed overeen. Vreemd is alleen dat Encoelia fascicularis in Zwitserland Schwarzbrauner Pappelbecherling heet en in Nederland en Vlaanderen Populierenschijfzwam wordt genoemd, terwijl zowel die Zwitserse vondst als onze vondsten op Gewone Es groeien. 

Na wat literatuuronderzoek wordt me duidelijk, dat de Populierenschijfzwam beslist veel meer op populier wordt aangetroffen dan op es. Ik besluit daarom aanvullend onderzoek te doen, want als het om dezelfde soort gaat, dan zou ik het schijfje in de buurt van de vindplaats op es toch ook op populier moeten kunnen vinden. Maar hoe ik in de dagen daarop ook zoek op stammen en afgevallen takken van diverse abelen zowel als Canadese- en Balsempopulieren, geen spoor van de Populierenschijfzwam. Wel vind ik het schijfje weer op dode essen in nog eens 2 kilometerhokken.

Een paar week later, tijdens het z.g. Cristella-weekend in Putten, van leden van de Mycologische Vereniging, die (ook) geïnteresseerd zijn in o.a. Beker-, Korst-,Gaatjes- en Trilzwammen, hoor ik.dat in 2016 een stamboomonderzoek is gepubliceerd over het geslacht Encoelia en de subfamilie Encoelioideae*. Hieruit komt naar voren dat Encoelia een zeer heterogeen geslacht is en ook, dat de schijfzwam op populier een andere soort is dan die op es. Ze zijn in verband met hun verwantschap met soorten uit de familie Sclerotiniaceae (bijvoorbeeld het Gewoon knolkelkje -Sclerotinia sclerotiorum) in een nieuw opgericht geslacht gezet en gaan Sclerencoelia fascicularis en Sclerencoelia fraxinicola heten. Beide soorten zijn uiterlijk (bijna) niet van elkaar te onderscheiden, misschien enigszins aan de groeiwijze, die bij Sclerencoelia fraxinicola wat minder compact is dan bij Sclerencoelia fascicularis, waarvan de schijfjes veelal in dichte ronde bundeltjes groeien.  

Zodra de procedure voor het aanmelden van Sclerencoelia fraxinicola als nieuwe soort voor Nederland is afgerond, zal de soort te zien zijn op de Verspreidingsatlas, waarbij ik aanneem dat betrouwbare waarnemingen van Encoelia fascicularis op es dan de naam Sclerencoelia fraxinicola hebben gekregen in het gegevensbestand van de NMV. Om na te gaan hoeveel dat er zijn, roep ik de hulp in van de bestandsbeheerder van de NMV, Martin Gotink. Hij vindt er twee, de eerste is van 1 maart 2001 op Goeree, de tweede is van 4 februari 2016 bij Houten. Via de mail verneem ik, dat de soort op 7 maart in nog een kilometerhok bij Houten is gevonden (Nieuw Wulven) door Mirjam Veerkamp en Eduard Osieck. Zij zijn het, die ontdekken dat hun vondst Sclerencoelia fraxinicola  moet gaan heten. Verder zijn op Waarneming.nl zeven meldingen te vinden van es, niet allemaal goedgekeurd en daarom niet allemaal zichtbaar op de Verspreidingsatlas. Als ik af ga op de foto’s op Waarneming.nl lijkt het me bij de vondsten van 21 maart en 24 februari 2017 uit resp. Entervenen en Rijssen en bij die van november 2016 van het Westerbos bij Zwolle beslist om Sclerencoelia fraxinicola te gaan.

Kortom Sclerencoelia fraxinicola, nieuw voor de provincie Groningen, gevonden in drie kilometerhokken in het Beijumerbos, verder bekend uit tenminste 6 hokken in de rest van Nederland.

Kadri Pärtel, Hans-Otto Baral, Heidi Tam, Kadri Põldmaa, 2016. Evidence for the polyphyly of Encoelia and Encoelioideae with reconsideration of respective families in Leotiomycetes. Fungal Diversity.

 

 

 

Kom in de stal
Tekst en foto: Inge Somhorst

Een prachtige zonnige dag begin april nodigde uit tot inventariseren op het Hoge Land, enkele “groene” hokken uitgezocht en zoals gewoonlijk ging ik paddenstoelen (lees: korstzwammen) zoeken en Willem een rondje maken om planten te noteren. Vaak is er wel een nieuwsgierige bewoner of voorbijganger en zo knoopte Willem een praatje aan. Toen de dame hoorde dat ik paddenstoelen aan het inventariseren was reageerde ze: “ik heb paddenstoelen in de stal, wil je komen kijken? Even de honden naar binnen doen”. Nadat ik gearriveerd was liepen we langs een indrukwekkende hoeveelheid indrukwekkende honden naar de paardenstallen. Achterin de stal een prachtige rij Geringde vlekplaat, van jong tot oud. “Je hebt geluk, morgen ruim ik de stal uit”. Ze groeien er vaker, soms ook buiten. Navraag leerde dat het bejaarde paard wel ontwormingsmiddelen krijgt maar geen andere preparaten. In de stal er naast waren de vlekplaten nog nooit gezien, het hier huizende paard kreeg wel antibiotica. Zo kreeg ik van een vriendelijke bewoner zo maar een klein experimentje in de schoot geworpen, en een leuke waarneming!