Vondsten 2018

Volop Elzenkatjesmummiekelkjes
Tekst en fotocollage: Kor Raangs

 

Afgelopen zondag 11 maart heb ik rond de Middelberterplas gelopen, waarbij ik onderweg op nogal wat plekken exemplaren van het Elzenkatjesmummiekelkje (Ciboria amentacea) heb gevonden. Op een plaats staan zoveel exemplaren bij elkaar, dat ze van een afstandje al zichtbaar zijn (zie collagefoto). Wie weet zijn deze mummiekelkjes door het warme voorjaarsweer, na die periode met vorst nu massaal tot ontwikkeling gekomen.

 

 

De kelkjes zijn bruin, klein (gem. diameter ± 10 mm) en omdat ze zich ook nogal eens schuil houden in het bruinige strooisel onder elzen, moet je er meestal echt moeite voor doen om ze te vinden. Als ik ze niet zo snel zie, vind ik ze wel eens door voorzichtig het strooisel op zij te schuiven. Daarbij raak je de kelkjes aan, die daardoor soms kleine wolkjes sporen loslaten, daarmee hun locatie bekend makend. En al doende ontwikkel je zo vanzelf een zoekbeeld, om ze ook te kunnen vinden zonder in het strooisel te woelen. De kelkjes groeien op afgevallen, wat donkerder geworden mannelijke katjes/stuifmeelkatjes van het vorig jaar (de mummies). Het is wel zaak goed te kijken, waarop de kelkjes groeien. Op zwart geworden elzenzaad komt nl. een wat kleinere lookalike voor. Zover ik weet nog maar 1x in Groningen gevonden. Waar elzen en berken bij elkaar groeien is het extra opletten, want er is ook Berkenkatjesmummiekelkje en een Berkenzaadmummiekelkje. Deze soorten zijn beide nog niet bekend uit Groningen. Degene, die deze soorten wil vinden kan het best, om verwarring te voorkomen, zoeken op plekken waar alleen berken staan.
Om het verhaal nagenoeg compleet te maken, er is ook nog een Elzenpropmummiekelkje. Maar die groeit in de herfst.

 

 

Er is altijd een kans wat bijzonders te vinden

Tekst en fotocollage: Kor Raangs

 

30 januari, kwart over 3. De laatste dagen heb ik voornamelijk binnen gezeten en ik vind ineens, dat het tijd is om een stukje fietsen. Ik rijd langs het Bevrijdingsbos en het Edonbos, aan de oostkant van de stad Groningen. Het is er zompig en sommige bomen staan zelfs deels in het water. En toch stap ik hier van de fiets. Niet om deze kleibosjes grondig te inventariseren, want dat is in afgelopen jaren al gebeurd, maar om ze zomaar even te doorkruisen. Er is immers altijd een kans wat bijzonders te vinden. Ik zie alleen maar soorten, die in een zachte winter in deze bosjes zijn te verwachten, zoals de Gele trilzwam, Echt judasoor en Gewoon fluweelpootje. Ik loop tenslotte nog naar de meest noordelijke strook van het Bevrijdingsbos, want aan mijn wens om even buiten te zijn is wel zo ongeveer voldaan. En net in deze laatste strook zie ik wat groepjes rossig-bruine paddenstoeltjes met korrelige stelen. Zou dit de Winterkorrelhoed (Cystoderma simulatum) zijn? Eenmaal eerder, vele jaren geleden, vond ik deze soort bij Vlagtwedde. De precieze vinddatum blijkt 23 november 2005 te zijn. Eef Arnolds heeft hem voor mij op naam gebracht. Met mijn bescheiden boekencollectie van toen kon ik hem niet determineren.

 

 

 

Net als toen hebben de vruchtlichamen ook nu niet die kenmerkende sterke geur van de twee algemene Korrelhoeden. Maar tot mijn verbazing groeien deze vruchtlichamen hier bij en vooral op rottend hout. Dat herinner ik me niet van die vondst van toen.

Met Funga Nordica kom ik in twee stappen, via de kenmerken vluchtige ring en groeiend op rottend hout, snel en gemakkelijk uit bij Cystoderma simulatum. De sleutel van Gröger volgt een route langs nog meer kenmerken, zoals het al of niet aanwezig zijn van lamelcystiden (afwezig) en de sporengrootte (< 5) maar ook dan kom ik tenslotte uit bij de Winterkorrelhoed.

De Winterkorrelhoed groeit dus op (of in de buurt) van rottend hout, maar wat voor hout? Funga Nordica geeft daarover geen uitsluitsel, maar Ludwig en Gröger melden, dat de soort uitsluitend op vlierhout voorkomt, alleen is de laatste iets minder stellig door een vraagteken voor uitsluitend te plaatsen. In het Bevrijdingsbos staan wat vlierstuiken en vooral veel esdoorns (bos aangelegd als eerbetoon aan de Canadese bevrijders). En er liggen forse rottende takken met daarop soms Echt judasoor, maar ik kan niet goed bepalen of het vlier- of esdoornhout is. Het nog niet zo sterk verrot stuk hout, waarop de Winterkorrelhoed van de foto groeit, lijkt me eerder van een esdoorn dan een vlier. Tenslotte nog dit: Ik heb verzuimd mijn eerste vondst van de Winterkorrelhoed tijdig door te geven. En dan kan het volgende gebeuren: https://vroegevogels.bnnvara.nl/nieuws/zeldzame-winterkorrelhoed-gevonden

 

 

Overjarige zwarte brandnetelstengels

Tekst en fotocollage: Kor Raangs

Tijdens de voorjaarsexcursie van de NMV in het Lauwersmeer op 13 mei vorig jaar, laat Marjo Dam me een overjarige brandnetelstengel zien, die rondom en bijna geheel is bedekt met een zwarte, soms enigszins glimmende laag. Als ik vragend kijk, vertelt ze mij dat dit Aporhytisma urticae is. Ik heb de naam opgeschreven en de stengel meegekregen. Ik zie thuis dat de soort beschreven staat in Ellis&Ellis op blz. 444. En ik ontdek, dat de meegenomen stengel zoek is geraakt. Tijdens de eerstvolgende excursie heb ik nog wel even geprobeerd de soort te vinden, maar omdat in E& E bij de soort februari en maart als verschijningstijd wordt vermeld, heb ik mijn pogingen snel gestaakt.

Op de eerste winterexcursie van MWG op 26 januari 2018 in het Bedumerbos zie ik weer wat van die zwarte brandnetelstengels. Ik heb het materiaal nu uitgebreid kunnen onderzoeken. Wat ik heb verzameld, blijkt de anamorf (het aseksuele stadium) van de ascomyceet Aporhytisma urticae te zijn (nog geen Nederlandse naam). In de zwarte laag zitten kleine verdikkingen, die soms opengescheurd zijn. Daaruit komen massa’s conidia (ongeslachtelijke sporen).

De Verspreidingsatlas toont slechts 1 stip. Een hele zeldzame soort zo lijkt het. De waarnemer dient de soort dan ook te fotograferen, microscopisch te bekijken en een collectie aan te leggen met daarbij een beschrijving van de vondst. Ik betwijfel of dat allemaal wel nodig is. Allereerst is de soort goed herkenbaar. De soort lijkt me ook niet zeldzaam, maar vooral nog niet zo bekend. De soort staat pas sinds 2017 in de Standaardlijst van Nederlandse paddenstoelen. Zelf heb ik rond half februari in een uurtje 3 vindplekken erbij gevonden. En op Waarneming.nl en Waarnemingen.be worden sinds 2017 ineens waarnemingen van de soort gemeld.

Om de soort onder de aandacht te brengen, hierbij een fotocollage en een oproep om de soort in Groningen te zoeken en te melden.

 

Gaatjes met Bolletjes
Tekst en foto's: Inge Somhorst

 

Mijn eerste inventarisatie van 2018 ging op 5 januari naar Tjuchem. Daar is een aardig, vochtig dorpsbosje op de klei waaruit mij al eens een rode kelkzwam (sl) gemeld was, misschien kon ik hem vinden zodat ik wist om welke soort het ging. Om onduidelijke reden raapte ik een oude Platte tonderzwam op en zag aan de onderkant kleine zwarte bolletjes, iets groter dan de gaatjes (foto 1, links). Leuk, dacht ik, ook van bijvoorbeeld de Berkenzwam zijn kernzwammen bekend. Hoopvol dat door het substraat determinatie wel eenvoudig zou zijn ging hij mee in de rugzak.

Thuis onder de binoculair zag ik een iets netvormig geribd, vrij dof oppervlak maar geen opening, snaveltje of wat dan ook (foto 1, rechtsonder). Onder de microscoop zag ik heel kleine, ellipsoide tot bolvormige asci van maar 7 mu doorsnee, ongeveer even groot als de sporen van de Platte tonderzwam die ook in het preparaat te zien waren (foto 2 links). De asci zijn gevuld met 8 kleine, gladde, enigszins platgedrukte en iets groenig gekleurde sporen; de ascuswand is niet of nauwelijks te zien. Nu is kernzwammen determineren niet echt mijn ding en na vruchteloze bestudering van enkele algemene ascomyceten-werken en het al even vruchteloos doorlopen van de namenlijst (iets als polyporenbolletje zal het wel zijn, toch?) heb ik het materiaal op een koele plek weggezet want de NMV-nieuwjaarsdag was in aantocht en daar zijn altijd NMV-ers die dol zijn op deze zwammetjes. Specialist Henk Lammers was geïnteresseerd en binnen een dag had ik antwoord: het gaat om Albertiniella polyporicola die groeit op soorten uit het geslacht Ganoderma, maar niet op andere gaatjeszwammen.

De bolletjes ontwikkelen zich in de poriën maar komen bij rijpheid naar buiten, ze zijn dan ongeveer 1/3 mm in doorsnee. Ze hebben geen mondopening waardoor de sporen ontsnappen maar de wand breekt na rijping van de sporen langs de netvormende ribben open. De afzonderlijke veldjes zijn dan onder de microscoop te herkennen (foto 2, rechts). De verschillende stadia zijn op de foto te zien (foto 1, rechtsboven, de groene pijl wijst naar jong vruchtlichaam dat uit het gaatje omhoog komt). De soort is nog niet eerder uit Nederland gemeld. Kor Raangs wees mij erop dat de soort ook prima te determineren is met  de sleutels van het ascomycetenproject, https://www.allesoverpaddenstoelen.nl/Aop2_Ascoproject.html, startsleutel en sleutel A3, en dat is ook zo. Er is zelfs een tekening bij afgebeeld, gemaakt door.. juist ja. De rode kelkzwam vond ik ook nog, het bleek de echte Rode kelkzwam (ss) te zijn.